Mijn baby. Doet-ie ’t wel? Ademt-ie? Zit alles eraan?

Het hoort erbij: overbezorgd zijn over je baby. Ter geruststelling zijn er nu rompertjes en sokjes om te meten en te weten of het kind gezond en wel is. Consumententest: ‘Z’n ademhaling zwiebert alle kanten op, toont de app. Is dat normaal?’

Illustratie Roel Venderbosch

Ik heb zojuist de baby op het internet aangesloten. De printer, de versterker, de back-upschijf en de smartphone hingen er al aan, maar nu sta ik ook, real time, twenty-four-seven, met mijn kind in verbinding. Op mijn telefoon zie ik hoe hij ademt, of hij op z’n rug of op z’n buik ligt, wakker is of slaapt en hoe warm z’n huid is. Slaapt op de buik, meldt de app. Even checken. Klopt.

Mimo heet deze ‘smart baby monitor’. Ik heb ’m laten overkomen uit Amerika, het land van better safe than sorry. Ik heb de baby in het rompertje met sensoren en bluetooth gehesen, het docking station aan mijn wifi gekoppeld en de app geïnstalleerd. Met Mimo kan ik niet alleen thuis zien of hij nog ademt, maar ook in de trein en op mijn werk. Surveillance? Het is toch voor z’n eigen veiligheid?

‘Je weet dat je baby lekker slaapt, maar je kunt dat ongemakkelijke gevoel niet van je afschudden’, staat op de bijsluiter. De makers van Mimo weten wel hoe ze hun product moeten slijten. Vergeet seks, de beste verkooptruc is doodsangst.

Wie is toegetreden tot het ouderschap, weet dat de eerste emotie na de geboorte niet vertedering is, of een overstelpende ervaring van onvoorwaardelijke liefde. De eerste emotie is stress.

Eerste minuut: doet-ie t wel? Ademt-ie? Zit alles eraan?

Eerste uur: wil-ie wel drinken? Trekt die kleur ooit bij?

Eerste dag: wordt hij nog wakker? Blijft hij warm? Ademt hij?

Eerste maand: groeit hij goed? Slaapt hij genoeg? Is deze poepkleur oké? Gaan die vlekjes nog weg?

Eerste jaar: gaat hij ooit lopen? Praten? Luisteren? Is dit überhaupt een normaal kind?

Screenshotje vanuit de trein

Dingelingeling. De baby is wakker. Z’n ademhaling zwiebert alle kanten op, zie ik op de app. Is dat normaal? De vader heeft z’n smartphone ook op de Mimo aangesloten. Vanuit de trein stuurt hij een screenshotje. „Wakker?”

Dat gezondheidstechnologie een trend is, het is ons niet ontgaan. Slimme apps en smart watches registreren hoeveel we eten, slapen en hardlopen. We meten onze hartslag en houden in digitale logs onze menstruatiecyclus, mentale toestand en medicijngebruik bij. Maar nu zet de quantified self-trend een nieuwe stap: de quantified child.

Het begon al met babyfoons met camera’s en thermometers. Er zijn nu slimme rompertjes en pampers die urineweginfecties detecteren. Dit najaar komt een sokje op de markt dat doorlopend de hartslag en het zuurstofgehalte in het bloed meet. Ontwikkelaars maken bewegingsmeters die je op je kind plakt, met motiverende games voor het kind en activity graphs voor de ouders. En er is net een nieuw armbandje met locatietracker voor kleutertjes in de verkoop gegaan, mét afluisteroptie.

Het was te verwachten, deze trend. We waren al dol op getalletjes en grafiekjes waarmee we onze ongedisciplineerde zelf in het gareel dwingen. En nu kunnen we die technologie loslaten op datgene waarover we ons het allermeeste zorgen maken: het kind. Heel misschien, zo verlangen we, kunnen we er de nieuwe chaos in ons bestaan mee bedwingen.

Jonge moeders vertonen namelijk vijf keer zo vaak obsessief, compulsief gedrag dan de gemiddelde bevolking, bleek uit een onderzoek dat vorig jaar in de Journal of Reproductive Medicine stond. Ze zijn panisch voor ziektekiemen en blijven eindeloos controleren of het kind nog ademt en of de babyfoon het nog doet. Bij de meeste vrouwen gaan de extreme neigingen na een half jaar vanzelf weer weg. Maar, weet de jonge ouder, nooit helemaal. Die zalige onbezorgdheid is voorgoed voorbij. En die angst, dat is het perfecte gat in de markt.

Maar dan: alarm!

De baby slaapt, meldt de app. Ik zie het aan de streepjes die zijn regelmatige ademhaling verbeelden. Maar dan: alarm! Un- usually cold temperature! Ik sluip z’n kamer in en voel in z’n nekje. Ik voel niks. Moet ik nu zijn temperatuur opmeten? Hij slaapt. Maar hij is wel unusually cold. Ik meet toch even zijn temperatuur. De baby wordt chagrijnig wakker. 37.3. Oké, oké, sorry, sorry. Toch maar even een extra dekentje.

Fabrikanten springen in dat gat. Wie wil nou niet de zekerheid dat z’n baby – God verhoede het – uit de wiegendoodstatistieken wegblijft? Daarom zijn er ademende matjes van Aerosleep en sensormatrasjes van Nanny Care die bewegingsloosheid meten. En nu dus ook die sokjes en rompertjes vol sensoren.

Drie problemen. Eén: technologie bant het noodlot niet uit. Meten is weten, maar meer ook niet. In plaats van dat jonge ouders leren het nieuwe risico in hun leven te verdragen, krijgen ze product na product opgedrongen dat de gezonde baby medicaliseert. Technologie die de angst en dwangneurose enkel voeden. En die de schuld bij de ouders leggen als het misgaat. Je had toch zo’n ding kunnen kopen?

Twee: de techniek faalt soms. Dus krijg je, bovenop de zorgen voor je kind, de zorgen over de technologie voor je kind. Upright, meldt Mimo over het vijf maanden oude kind dat echt nog niet kan zitten. Toch? Ik ren naar de kinderwagen. Roll-over alarm! Hij ligt muisstil. Asleep, terwijl ik ’m hoor blèren.

En drie: wat zeggen getallen precies? Huisartsen herhalen niet voor niets tegen alle bezorgde ouders het mantra: ‘Is hij nog alert?’ Ja. Dan maakt het niet uit dat de metertjes uitslaan naar 40 graden en de flessen niet leeg gaan. Sensoren die doorlopend je kind meten, geven te veel informatie. Relativerende afstand is nodig.

Die afstand moet je wel zelf opeisen. Lang voordat quantified self een trend werd, verzamelde de Britse kunstenares Ellie Harrison ongeveer alle beschikbare data over zichzelf. Wat ze at, waarheen ze reisde, wat ze dacht als ze thee dronk, hoeveel scheten ze liet.

Maar na een paar jaar stopte ze er abrupt mee en schreef ze het boek Confessions of a Recovering Data Collector. Ze was er klaar mee: voortdurend obsessief naar zichzelf kijken, targets halen, zichzelf realiseren. Want dat was wat die dataverzamelwoede met haar deed: het maakte van haar leven een strategie die tot in de puntjes geoptimaliseerd kon worden. Maar nu was het tijd voor de gezonde blik naar buiten. Het was tijd voor de wereld.

We nemen de afstand zelf

Ik heb de hoop dat wij dat vanzelf leren. Zo ging het in ieder geval met het mobieltje, dat in het begin héél erg voelde alsof íédereen je nu áltijd óveral zou kunnen bereiken. Wat ook zo was, maar dat vinden we nu niet meer erg. Nu zetten we ’m af en toe uit. We nemen de afstand zelf. En zo leren we om te gaan met de iPad en games en Twitter en al die dingen waarvan we dom en contactgestoord zouden worden.

Nu de Mimo nog. Lastig, want die zit op de baby geplakt. En je smartphone kun je uitzetten, maar je kind niet.

Not connected, piept het ding, ook al zit-ie op de slapende baby. Ik veer op. Ik zak terug. Ik laat het zo.