Lenin heeft een groot gat in zijn buik

Fotograaf Pierre Crom slaagde er gisteren wél in om het rampgebied te bereiken. Het stinkt in de warme wind.

De vraag bij het ontbijt is: zal het ons vandaag lukken het rampgebied zelfstandig te bereiken?

Ons antwoord is Vlad uit Donetsk. Hij is 31 jaar, hoogopgeleid, Engelssprekend en sinds begin dit jaar fixer. Een fixer helpt journalisten op locatie. Ook heeft Vlad een auto.

Vlad kent alle wegen in de regio. Hij is ook goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in het rampgebied.

Wij beplakken zijn autoramen met vellen papier waar ‘tv’ op staat en rijden in de richting van het rampgebied. Achter de OVSE aanhobbelen heeft weinig zin. Met z’n tweeën bij Vlad in de auto zijn we snel, onopvallend, flexibel en onafhankelijk.

Maar eenmaal onderweg zien we al snel dat er iets misgaat. Langs de weg staan, onder bomen, auto’s geparkeerd. Er schieten lichtflitsen door de lucht. Het geluid van luchtafweergeschut knalt op tientallen meters afstand. Wij keren snel om en stoppen één kilometer verderop.

Voor het eerst zet ik mijn veiligheidsbril op. Die bril kan mij beschermen tegen raketinslagen. Dan komen er nieuwsberichten binnen over de Oekraïense straaljager die uit de lucht geschoten is.

Ons doel is om de rampplek te bereiken. Vlad heeft er een slecht gevoel over en twijfelt even voordat we verder rijden. Er zijn nog best veel voertuigen op de weg en de checkpoints zijn bemand. Tot aan de volgende stad is het rustig. De rebellen controleren onze accreditaties en paspoort. Alles is in orde.

Sinds zes uur ligt de stad onder vuur van het Oekraïense leger.

Zware mortiergranaten liggen lukraak door het centrum van de stad verspreid. Huizen, winkels en gebouwen zijn beschadigd.

De eigenaar van een kledingzaak ruimt het puin op. Hij glimlacht. Iedereen is geschokt. Niemand is gewond geraakt.

Veel mensen hebben de plaats verlaten of zijn naar de schuilkelders gevlucht. Het standbeeld van Lenin heeft een groot gat in zijn buik. Zijn rechteroog is geraakt.

Er zijn te veel rebellen hier, wij rijden verder. Het rampgebied is bereikt, het is gelukt. Nu alleen nog maar afwachten of wij straks terug kunnen rijden.

In bijna alle dorpen om ons heen zijn gevechten, dat is ook hier, van veraf, te horen.

In het rampgebied zelf is het stil. Een warme wind waait over de velden. De stank doet mij vermoeden dat er menselijke resten in de omgeving liggen.

Vliegtuigonderdelen liggen op hun plaats, het zijn monumenten geworden ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Niet meer aankomen.

Ik loop voorzichtig door de velden en begin aan mijn opdracht. De papegaaien liggen er nog, en twee honden.

Het gebied is erg groot. Ik ontdek spullen uit Nederland. Delftsblauw kadopapier, boeken, bruine bollen in een boterhamzak, een hotelbon met alle gegevens van een Nederlands slachtoffer. Naast een vliegtuigstoel zie ik de afdruk van een lichaam in het gras. Het is prachtig in al zijn gruwelijkheid. Laat ik er maar een foto van nemen. De natuur gaat zijn werk doen, dit zal verdwijnen.

De bloemen die omwonenden brachten, zijn uitgedroogd. Een teddybeer is omgevallen. Ik zet hem rechtop.

Wanneer was ik hier voor het laatst? Het lijkt eeuwen geleden. Het was afgelopen zaterdag.

De omwonenden kennen mij nog, ze denken dat ik Paul heet. Niet gek, mijn collega Paul en ik lijken op elkaar.

De geschokte omwonenden treft geen blaam. Het vliegtuig is uit de lucht gevallen, op 50 meter afstand van hun huizen. Zij leven op de rampplek, tussen de menselijke resten en in de kerosinelucht, met uitzicht op de verbrande wrakstukken. Ze worden omsingeld door gevechten.

Ik wil hier weg en nooit meer terugkomen.