High-tech biedt niet zomaar goede zorg

Computers en technologie rukken op in de zorg en in het onderwijs. Arts-in-opleiding Emma Bruns ziet het niet als louter ‘innovatie’. Medische zorg blijft mensenwerk.

Illustratie Anne van Wieren

Ik zit in een kleine kamer achter een computerscherm, op te schrijven wat we vandaag gezien, gehoord en geroken hebben bij onze patiënten. Ik maak me zorgen om meneer B. Zijn bloedwaarden zijn slecht. Halverwege de ochtend komt een man van de technische dienst een tweede beeldscherm aansluiten. „Een must-have bij dit nieuwe besturingssysteem, dokter”, zegt hij enthousiast. Ik knik gezapig en kijk uit het raam. Hoe zouden mijn collega’s dat in Syrië doen? Bij hen komen ze nooit een tweede scherm installeren. Leidt innovatie eigenlijk wel tot betere zorg?

Doorgaans is vooruitgang, innovatie, inherent aan vermenigvuldigen: het verhogen van productie, het toevoegen van nieuwe instrumenten, de komst van een update. Er komt iets bij – en dat is altijd goed, lijkt het.

De zorg vormt hier geen uitzondering. Elke dag komen er nieuwe gadgets, geneesmiddelen en computerprogramma’s die ons naar een gezond leven en betere zorg moeten leiden. Ook patiënten willen vaak liever méér dan minder.

Een mooi voorbeeld is diverticulitis: een ontsteking van kleine uitstulpingen van de dikke darm. Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat je bij een milde vorm van deze aandoening meestal niets hoeft te doen: geen antibiotica, geen speciaal dieet, geen operatie. Maar als mensen eenmaal, na dagen buikpijn en uren wachten op de spoedeisende hulp, te horen krijgen dat de beste behandeling bestaat uit ‘niets doen’, zijn ze soms bijna teleurgesteld.

Ook artsen hebben soms liever ‘alles gedaan wat ze konden’ dan wijselijk besloten af te zien van behandeling. Onze hersenen zien ‘geen interventie’ als een gemiste kans.

We lijden de laatste jaren aan een diepe vertrouwenscrisis tegenover het menselijk vermogen. Dat is niet verwonderlijk: internet toont ons op allerlei terreinen (economie, politiek, sport) dat experts niet altijd te vertrouwen zijn. Banken vielen om, politici traden af, huilende wielrenners maakten hun excuses.

De samenleving eist meer controle en neigt ertoe liever te vertrouwen op een grafiek of een apparaat dan op een ander mens. Zo ook in de zorg.

Verlenging van de levensduur

Patiënten willen graag, voor de zekerheid, een scan, of nog een keer bloed laten prikken. In het klinische oordeel van de dokter hebben ze minder vertrouwen. Opmerkelijk, want elke bloedwaarde of scan vergt ook de interpretatie van een arts.

Zeker, instrumenten als de thermometer en de stethoscoop, de MRI-scan of laparoscopische chirurgie – allemaal dragen ze bij aan verlenging van de levensduur en verbetering van levenskwaliteit. Een Willie Wortel-achtig uitvindcentrum, zoals het Reshape Center in Nijmegen, is dan ook een zegen voor de zorg.

Tegelijk verlangen we in een steeds complexere samenleving ook naar onafhankelijkheid, eenvoud en transparantie. We willen graag weten waar ons voedsel vandaan komt, wie ons T-shirt heeft gestikt en hoeveel water daarbij is gebruikt.

De oermens, met zijn oerdieet en oerlichaamsbeweging, maar vooral met zijn oersimpele vermogen om te overleven (vuur maken, voedsel verzamelen, hutten bouwen), is onze nieuwe held. Bedrijven die gehoor geven aan dit onderbuiksgevoel, zowel voor de werknemer als de consument, zijn succesvol. Albert Heijn vertelt het verhaal over de boer die broccoli teelt. De bootcamp-klasjes in het park zijn populairder dan de loopbanden in de sportschool. Moestuinen en kamperen zijn cool.

Het bijbehorende gevoel van autonomie – in een tijd waarin steeds meer grote systemen corrupt, onvoorspelbaar en onbetrouwbaar lijken te zijn – voelt als een verademing. De zorg vormt hierop geen uitzondering; zowel artsen als patiënten zijn graag autonoom.

Veeleer dan te vertrouwen op een nieuw computersysteem ontwikkelt de ‘interne innovator’ zijn eigen kapitaal om zo zijn onafhankelijkheid te vergroten. Joost ten Brinke (arts in opleiding tot chirurg en parttime imker) is een voorbeeld van een arts die interne innovatie verkiest boven afwachten op die van buitenaf. Enkele jaren geleden richtte hij de vereniging Outdoor Medicine op. ‘Expeditiegeneeskunde’: zorg onder extreme omstandigheden, in het hooggebergte, de woestijn, de jungle, met beperkte middelen. Het is de ultieme uitdaging voor een ‘innovator van de eenvoud’.

Een gebroken been op de Kilimanjaro toont de kern van de medische zorg: hulp aan de mens als slachtoffer van een fysiek of mentaal gebrek. Het gaat hier niet om de juiste ‘diagnose-behandel-combinatie’ in de computer, maar om het vermogen van de arts samen met de patiënt een acuut probleem op te lossen.

Op de top van de Kilimanjaro

Niet alleen op de top van de Kilimanjaro is deze interne innovatie van belang. Juist in het spinnenweb van een westers ziekenhuis is het de kunst niet alle onderzoeken te doen, alle soorten specialisten in te schakelen en de patiënt onnodig van wachtkamer naar wachtkamer te sturen. En zoals in de expeditiegeneeskunde een goed stel touwen nog geen goede klimmer maakt, levert een high-tech ziekenhuis nog geen goede zorg.

Veel succesvolle start-ups, maar ook grote bedrijven als McKinsey, Google en KLM, begrijpen dit al jaren. Ze investeren meer in hun menselijke kapitaal dan in de hardware van hun bedrijf.

Hoewel bedrijven en instellingen inhoudelijk sterk van elkaar kunnen verschillen, is de noodzaak tot ‘interne innovatie’ een universeel verschijnsel. Ze hebben oog voor fysieke begeleiding (gezond eten op werkvloer, gratis sporten), mentale training (masterclass, coaching), sociale ontwikkeling (groepsdynamiek, teambuilding). Hun ‘high potentials’ krijgen erkenning als talent dat je moet stimuleren om verder te groeien; in hen wordt geïnvesteerd, met resultaat.

Daartegenover klinkt vaak de verzuchting dat in de publieke sector, zowel in de zorg als in het onderwijs, geen budget beschikbaar is voor dergelijke vormen van interne innovatie. Helaas.

Interne innovatie kan juist zo veel meer opleveren dan de installatie van een tweede beeldscherm. Enkele maanden geleden las ik het boek Moonwalking with Einstein van Joshua Foer. Hij beschrijft hierin hoe hij binnen een jaar geheugenkampioen van de Verenigde Staten is geworden. En lees over de efficiëntie-trucs van Timothy Ferriss in zijn boek The four hour work week. Met name beschrijft hij de overbodigheid van vergaderingen, telefoongesprekken en elke vijf minuten je e-mail checken. Sinds ik hun methodes in de praktijk toepas, kan ik bij veertig patiënten visite lopen zonder allerlei computers te hoeven gebruiken. Net zoals vroeger.

Klankschalen en yogamatjes

Een andere vorm van interne innovatie is mediteren. De gemiddelde nuchtere witte jas vlucht onmiddellijk bij de gedachte aan klankschalen en yogamatjes, maar juist de wetenschap levert het bewijs van het nut hiervan. Mediteren (met de app van Headspace wordt het bijna even routinematig als tandenpoetsen) is buitengewoon bevorderlijk voor het concentratievermogen van mensen die in drukke omgevingen werken. Ik merk het voordeel dagelijks op de spoedeisende hulp.

Tot slot is kennisvermeerdering een niet te verwaarlozen vorm van interne innovatie. Als we met technische, externe innovatie veel meer zaken van een patiënt kunnen meten en visualiseren, dan moet de zorgverlener deze waarden ook kunnen interpreteren. Is het eigenlijk wel nodig bij een patiënt, die rustig in bed ligt te sudoku’en, 24 uur per dag de bloeddruk te meten?

Twee maanden geleden ging ik, samen met een groep van dertig verpleegkundigen, naar de snijzalen van het AMC voor een uitgebreide anatomieles. Behalve door enthousiasme is de zorg op zaal ook verbeterd nu verpleegkundigen beter begrijpen welke operatie we hebben uitgevoerd en waarop ze moeten letten.

Tegen de avond bespreek ik dat Meneer B nog steeds niet is opgeknapt. Ik wijs naar de gestegen ontstekingswaarden op het tweede scherm. „Moeten we niet een kijkoperatie doen?” Mijn supervisor fronst zijn wenkbrauwen. „Een goed chirurg weet wanneer hij zijn handen op zijn rug moet houden. Het tweede scherm springt op zwart. Mijn supervisor staat op en knoopt zijn jas dicht. „En hoeveel schermen je daar ook hebt, alleen Meneer B kan het antwoord geven.”