Het museum tussen markt en mecenas

De overheid vindt dat musea meer op eigen benen moeten staan. Maar het als een commercieel bedrijf runnen is voor grote kunstmusea eigenlijk onmogelijk.

Drukte in het Rijksmuseum. Ondanks hoge bezoekersaantallen kunnen grote musea niet zonder subsidie Foto Robin van Lonkhuijsen

Is het denkbaar dat een museum zonder financiële steun van de overheid kan blijven bestaan? Ja, en dat gebeurt ook. Niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland. Museum Beelden aan Zee in Scheveningen is daarvan het beste voorbeeld, maar het geldt ook voor De Pont in Tilburg en het succesvolle Tassenmuseum Hendrikje in Amsterdam. Het gold voor het Scheringa-museum in Spanbroek en het gaat binnenkort gelden voor de opvolger daarvan in Gorssel. In Wassenaar zal op het landgoed Voorlinden een nieuw museum plaats gaan bieden aan de Caldic Collection. Zonder subsidie van de overheid, maar dus wel met geld van particulieren.

Er is veel geld nodig voor het opbouwen van een mooie en goede kunstcollectie, maar nog meer om die ook blijvend voor publiek open te stellen. De bedrijfskosten van een museum liggen al gauw op een niveau dat niet meer door de verkoop van entreekaartjes kan worden gedekt. Het Van Gogh Museum komt er met anderhalf miljoen bezoekers per jaar nog het dichtst bij met 40 procent entreegelden en in totaal 80 procent eigen inkomsten. Het Van Gogh heeft bovendien het voordeel van 85 procent bezoekers uit het buitenland, die bijna allemaal de volledige entreeprijs van nu 15 euro betalen. Van de ongeveer 8 miljoen rijkssubsidie gaat een groot deel als huur terug naar het Rijk.

Museum Boijmans Van Beuningen heeft vooral Nederlandse bezoekers en daarvan betaalt maar 20 procent de volledige entreeprijs. 40 procent van de bezoekers heeft een Museumjaarkaart en voor hen ‘vangt’ het museum ongeveer 7,50 euro en niet 12,50 euro per persoon. De subsidie van de gemeente Rotterdam dekt met 9 miljoen euro ongeveer de helft van de exploitatiekosten, maar ongeveer eenderde van dat bedrag gaat weer als huur van het museumgebouw terug naar de gemeente. Het aandeel eigen inkomsten van het museum moet elk jaar stijgen, omdat de lasten per jaar toenemen, terwijl de gemeentelijke subsidie juist een dalende trend vertoont. Rekening houdend met de algemene prijsstijging is de subsidie nu ruim 15 procent lager dan in 2006. Zou het museum de hele exploitatie uit inkomsten van de bezoekers moeten betalen, dan zou iedere bezoeker ongeveer 60 euro kwijt zijn, inclusief een kopje koffie en een bezoekje aan de museumwinkel.

Personeelslasten

Het Rijksmuseum heeft ook een financieel fantastisch eerste jaar gehad na de heropening. Er kwamen 2,2 miljoen bezoekers en mede daardoor haalde het museum ruim 60 procent aan eigen inkomsten. Aan de subsidievoorwaarde van 17,5 procent eigen inkomsten is daarmee ruim voldaan. De komende jaren kan het museum ieder jaar rekenen op ongeveer 27 miljoen subsidie van het Rijk, maar daar staat ook een betaling aan het Rijk voor de huur van het gebouw van 19 miljoen tegenover. Aan personeelslasten is het museum 28 miljoen per jaar kwijt. Ter vergelijking, de National Gallery in Londen krijgt per jaar 28 miljoen pond subsidie, maar is wel zelf eigenaar van de gebouwen aan Trafalgar Square.

De grote musea zijn echte bedrijven geworden met vaak honderden personeelsleden (Rijksmuseum ongeveer 500). Hoe hoger de bezoekersaantallen, hoe meer mensen je ook nodig hebt voor de kassa, de garderobe, de beveiliging, de schoonmaak en de catering. Voor de winkel en de rondleidingen doen veel musea een beroep op vrijwilligers. Dat zijn er al gauw tientallen tot zelfs honderden, vooral vrouwen. Ook vrijwilligers moeten georganiseerd en begeleid worden, een beetje museum heeft daarnaast ook mensen in dienst voor de marketing, de sponsors en de public relations. Vaak wordt gedacht dat sponsoring door bedrijven de kurk is waarop de culturele instellingen tegenwoordig moeten drijven. Dat is niet zo, het is met een paar procent van de exploitatiekosten meer de kers op de taart. Bij bijzondere tentoonstellingen kan het incidenteel meer zijn. Voor nieuwe aankopen hebben de meeste musea zelf nauwelijks of geen geld. Hier zijn de bijdragen van rijke particulieren, fondsen en vooral loterijen van beslissende betekenis geworden.

Hoe krijgen musea die geen subsidie van Rijk of gemeente krijgen of willen, hun exploitatie rond? Relatief lage huisvestingskosten door bezit van het gebouw of door steun van een mecenas is heel belangrijk. Dat geldt voor Beelden aan Zee, maar ook voor Museum Bredius, De Pont en straks de Caldic-collectie en de door Hans Melchers verworven Scheringa-collectie. Een eigen vermogen is ook belangrijk. Bij leven kan dat het vermogen van de stichter zelf zijn, maar het gaat toch vooral om de tijd daarna. Zonder een groot legaat zou bijvoorbeeld De Pont met een half miljoen aan baten en 2,5 miljoen aan lasten al lang niet meer hebben kunnen bestaan. De Mesdag Collectie in Den Haag – een grote schenking maar geen eigen vermogen – is formeel onderdeel van het Van Gogh Museum en met minder dan 10.000 bezoekers per jaar moet daar fors geld bij.

Kleine particuliere musea werken uiteraard ook veel met vrijwilligers. Beelden aan Zee is niet alleen gesticht om de particuliere verzameling van Theo en Lida Scholten een mooi onderdak in Scheveningen te bieden, maar ook om op de lange termijn een gespecialiseerd en niet van subsidies afhankelijk museum voor beeldhouwwerken mogelijk te maken. Dertig jaar geleden zagen zij al hoe dat in de Verenigde Staten gedaan werd in een combinatie van mecenaat, sponsoring en vrijwilligerswerk. Een huurvrij gebouw, een kleine staf en meer dan honderd vrijwilligers, een kapitaalkrachtige en gulle ‘board of trustees’, een kring van vrienden, sponsoring door bedrijven en verhuur van de museumruimte voor bijzondere gelegenheden geven het museum net de nodige financiële ademruimte zonder de culturele doelstelling ook maar enigszins geweld aan te hoeven doen.

In verschillende gradaties wordt dit model inmiddels ook in andere musea gehanteerd. Heel vergelijkbaar bijvoorbeeld in het Singer Museum in Laren, ook ontstaan uit een particuliere collectie met een eigen gebouw. De Vereniging Rembrandt organiseert ‘cirkels’ van mecenassen, die een of meerdere duizenden euro’s per jaar schenken.

Daarnaast neemt ook het belang van de opbrengsten uit de fondsen op naam toe. Het Prins Bernhard Cultuurfonds beheert al meer dan driehonderd particulier gestichte vermogens waarvan de opbrengst voor culturele doelen gebruikt kan worden. Het geld is vrijwel nooit bedoeld om de kosten van de exploitatie van een museum te dekken, maar moet gebruikt worden voor aankopen, restauraties, tentoonstellingen, educatie of catalogi.

Miljardenkapitaal

Voor zover ik weet, is er in de hele wereld onder de grote musea maar een dat het helemaal zonder subsidie van de overheid kan stellen. Dat is het Getty Museum in Los Angeles, dat leeft van de opbrengst van het miljardenkapitaal van Paul Getty, vijftig jaar geleden een van de rijkste mensen van de wereld. Het Metropolitan Museum in New York, dat bijna altijd als het grote voorbeeld van een volledig onafhankelijk museum wordt gezien, beschikt door legaten en donaties wel over een eigen vermogen van 3 miljard dollar (honderd keer meer dan het Rijksmuseum), maar krijgt van de stad New York toch 27 miljoen dollar subsidie per jaar en het gratis gebruik van het immense gebouw in Central Park.

Het echt als een commercieel bedrijf runnen van een kunstmuseum is eigenlijk niet mogelijk. Ook als er geen subsidie van de overheid nodig is of gewenst wordt, zijn er altijd andere bronnen dan de portemonnee van de bezoeker nodig om de exploitatie rond te krijgen. Dat is geen schande, dat is de realiteit en het is nooit anders geweest.