Wat er in die bakken zit? Dat willen we niet weten

Ron Roffel is bedrijfsleider bij een fabriek die ziekenhuisafval verbrandt. Infusen, geamputeerde lichaamsdelen en afgeschreven medicijnen. „Zou jij willen weten wat er met je been is gebeurd?”

Als de gele deksel op de blauwe bak is geklikt, gaat deze nooit meer open. Met vat en al verdwijnt het afval de oven in. Foto Niels Blekemolen

Even nadat het gezoem van de bel had geklonken werd bedrijfsleider Ron Roffel bij het gesprek geroepen. Voor de deur van de verbrandingsoven in Dordrecht stond een man met een moederkoek in een blauwe vuilniszak. Die wilde hij graag bij het bedrijf afgeven.

Nee, de blauwe vuilniszak werd niet aangenomen. Roffel, minstens twee meter lang met een ringbaard, leunt achterover op zijn bureaustoel. Dat zou tegen de regels zijn. Zavin in Dordrecht verwerkt geen afval van particulieren. De menselijke resten, orgaandelen, scalpels en naalden die er worden verbrand zijn afkomstig van ziekenhuizen. Verband en infuusnaalden van verzorgingstehuizen. Kleine proefdieren als aapjes en muizen van laboratoria.

Zavin staat aan de rand van Dordrecht. Een paar honderd meter voor het gebouw stopt de bus voor de laatste keer. Het naastgelegen bedrijf verbrandt huisvuil, achter Zavin ligt een waterzuiveringsinstallatie. Toch ruikt het buiten naar zomer. De filters in de ovens doen hun werk. „Ik ben ervan overtuigd”, zegt Roffel, „dat we hier ons stinkende best doen om de omgeving zo min mogelijk te belasten.”

In de fabriek ruikt het naar haren die in een kaars hangen, naar een stuk verbrand vlees dat over de datum was voordat het vlam vatte. Niemand in de fabriekshal lijkt zich eraan te storen. Een medewerker eet een boterham terwijl hij uitkijkt op de oven. De mensen die dagelijks in de hal rondlopen ruiken die geur allang niet meer.

De medewerkers zien weinig van het afval dat door hun handen de oven ingaat. Infusen, geamputeerde lichaamsdelen en afgeschreven medicijnen worden bij ziekenhuizen in vaten opgeslagen. Als de gele deksel op de blauwe bak is geklikt, gaat deze niet meer open, nooit meer. Met vat en al verdwijnt het afval de oven in.

De vaten worden op een lopende band gezet die ze langzaam naar het vuur schuift. Een goede medewerker voelt binnen een paar seconden wat er ongeveer in de bak zit. Of de inhoud klotst of rammelt. Nat en droog moeten zoveel mogelijk worden afgewisseld om de oven op de juiste tempratuur te houden. Een kwestie van ervaring. Sommigen doen dit werk al meer dan twintig jaar.

Wat erin zit? Geen idee

Wat er precies in de bakken zit, weet niemand. Daar denkt niemand over na, zegt Roffel. „Op het moment dat het hier binnenkomt, weet je dat het afval is. Zo moet je het ook behandelen. Daar wordt hier heel nuchter over gesproken.” Eigenlijk heeft hij er zelfs überhaupt nog nooit over nagedacht, zegt hij. „Een stukje zelfbescherming.”

De oven van Zavin is geen verbrandingsinstallatie, maar een vergassingsinstallatie. De fase van smelten wordt overgeslagen, vaste stoffen worden direct omgezet in gas. De temperatuur in de oven loopt op tot 1.200 graden. Jaarlijks wordt er op die manier 10.000 ton afval verbrand, al het ziekenhuisafval in Nederland. Dat gebeurt 24 uur per dag, zeven dagen per week.

Twintig procent van het afvalvolume blijft over. Er wordt onderzocht of de resten kunnen worden hergebruikt. Nu worden de zogeheten ‘slakken’ nog gestort op een afvalberg in Zeeland.

Er heeft nog nooit iemand nagebeld

De lopende band is de plek waar Roffel op zijn zeventiende zijn carrière begon. Hij was „een vervelend klerenjong, een rasechte drop-out”. Als je thuis zit, en je hebt geen uitzicht meer, vervagen de eisen voor een baan. Zijn vader zat ook in het afval, maar van Zavin had Roffel nog nooit gehoord. De bakken kende hij alleen van zijn vorige baantje in het ziekenhuis.

Toen hij in de fabriek werkte, werd Roffel geopereerd aan zijn knie. „Ik weet ook dat wat er toen vanaf is gekomen ook in zo’n vat heeft gezeten, hiernaartoe is gebracht en dat ik mezelf misschien wel in mijn handen heb gehad.” Maar daar gaat hij niet bij stilstaan, zegt hij. „Sterker nog, het boeit me niks.”

Eigenlijk lijkt het weinig mensen iets te interesseren wat hier wordt verbrand, zegt Roffel. Er heeft nog nooit iemand opgebeld om te vragen wat er met zijn geamputeerde been is gebeurd. Misschien heeft het met onbekendheid te maken. „Ik denk ook dat mensen daar gewoon niet mee bezig zijn. Zou jij het willen weten?”