‘Strijders Kosovo verkochten organen’

Een mogelijke aanklacht tegen oud-vrijheidsstrijders kan huidige leiders van Kosovo en Albanië in problemen brengen.

Er zijn „dwingende aanwijzingen” dat een tiental mensen die in de Kosovo-oorlog eind jaren negentig gevangen waren genomen door de rebellen van het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK), is vermoord om hun organen op de zwarte markt te kunnen verkopen.

Dit schrijft de Amerikaanse aanklager Clint Williamson, leider van de Speciale Onderzoeksgroep SITF, die in opdracht van de Europese Unie onderzoek doet naar mogelijke oorlogsmisdaden door het UCK. Een aantal voormalige leden van het UCK heeft nu bestuursfuncties in Kosovo en Albanië.

De orgaanhandel is het saillantste element. Williamson onderstreept in de gisteren gepubliceerde tussenstand van het SITF-onderzoek wel dat deze praktijken „op erg beperkte schaal” voorkwamen. Voor beweringen dat de UCK honderden mensen heeft gedood om hun organen te kunnen verhandelen, bestaat geen enkel bewijs, schrijft hij. Het gaat om „een handvol” slachtoffers. In een toelichting gisteren tegen journalisten in Brussel hield Williamson daarbij beide handen op, met zijn tien vingers uitgespreid.

Op dit moment is er nog onvoldoende juridisch bewijs voor een aanklacht, schrijft Williamson, maar hij verwacht dat dit wel te verzamelen is, ondanks harde tegenwerking van autoriteiten in Kosovo en Albanië.

Zijn onderzoek vloeit voort uit een rapport van de Raad van Europa uit 2011. Daarin documenteert de Zwitserse rapporteur Dick Marty, oud-officier van justitie, een aantal gevallen van orgaanhandel. In een kliniek in Albanië zouden mensen zijn vermoord om hun organen daarna voor transplantatie naar het buitenland te brengen, onder andere naar Turkije.

Williamson twijfelt nog aan de mogelijkheden om het bewijs voor deze orgaanhandel juridisch rond te krijgen. Die twijfel ontbreekt als het gaat over andere oorlogsmisdaden. „We denken dat SITF in staat zal zijn een aanklacht in te dienen tegen bepaalde hoge leiders van het voormalige UCK”. Die hebben zich na het einde van de Kosovo-oorlog in juni 1999 schuldig gemaakt aan een systematische campagne tegen burgers. „Die was gericht tegen bijna alle Serven die in Kosovo wilden blijven, van wie velen oud of ziek waren, tegen Roma en andere etnische minderheden, en tegen rivalen binnen het UCK.”

Veel van die misdaden waren al eerder naar buiten gekomen, maar vervolging bleek moeilijk wegens gebrek aan juridisch steekhoudend bewijs.

Williamson noemt geen namen van de oud-UCK-leiders tegen wie een aanklacht wordt voorbereid. De bedoeling is dat de zaak wordt behandeld door een speciaal hiervoor op te zetten rechtbank in Kosovo. Als die actief is, naar verwachting volgend jaar, zal ook de formele aanklacht inclusief namen worden ingediend.

Williamson heeft harde kritiek op de tegenwerking bij het onderzoek. Hij noemt opnieuw geen namen, maar het is vooral een verwijzing naar de tegenstribbelende opstelling van de Kosovaarse en Albanese autoriteiten. Hij is ook bezorgd over de intimidatie van getuigen, die nog steeds aan de gang is.

Om verwijten van partijdigheid voor te zijn, wijst Williamson er op dat hij ook, met succes, onderzoek heeft gedaan naar misdaden die in de Kosovo-oorlog van Servische zijde zijn begaan tegen Albanese Kosovaren.