Boven je bureau in slaap vallen

Voor het werk naar het buitenland. Leuk, maar hoe doe je dat, een nieuw bestaan opbouwen?

Michaël Zeeman, bij leven een invloedrijke stem in de Nederlandse letteren, ging met de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen naar een restaurant in Amsterdam. Al tijdens het voorgerecht kwam de vraag voorbij waarom Franzen zijn vuistdikke roman The Corrections niet thuis had geschreven, maar in een kleine, door de schrijver gehuurde kelderruimte.

Franzen: „Omdat ik thuis de verleiding niet zou kunnen weerstaan om sport te kijken op tv. Maakt niet uit of het golf is of ijshockey; ik kijk naar iedere wedstrijd.”

Nu ik zelf op de drempel sta van een nieuw bestaan als zzp’er krijg ik ook af en toe de vraag wat ik ga doen: een kantoortje huren of thuis de studeerkamer in?

Ik weet het nog niet. In mijn dromen denk ik aan een derde optie: werken in het café, met de laptop. Ik besef: dat is een dure grap. Je zult, neem ik aan, toch ieder uur een nieuw drankje moeten bestellen. Stel dat je dagelijks zes uur in een koffietent zit, dan kom je toch al snel uit op zes keer 3 euro, en dat vijf keer. Dat maakt zo’n 90 euro per week. En dan bestel ik er nooit een broodje bij.

Bovendien lijkt het me in een café lastig om te bellen. Goed, een romanschrijver hoeft dat niet. Maar als journalist kun je niet zonder.

Tegelijk heb ik ook mijn lijstje met pro’s. De belangrijkste is dat een café mij waarschijnlijk behoedt voor mijn grootste vijand bij het schrijven zonder luidruchtige collega’s: plotseling invallende slaapzucht. Ik heb eens een half jaar een eigen kamer gehad, op het Netherlands Institute for Advanced Studies, het NIAS. Werkelijk geen dag heb ik de verleiding kunnen weerstaan om eventjes, heel eventjes maar, mijn hoofd op mijn gekruiste armen op het bureau te leggen en een slaapje te doen. Dat heel eventjes kon oplopen tot meer dan een uur, zeker als ik besloot even te gaan liggen.

Ook tijdens het schrijven van dit stukje heb ik eventjes een tukje gedaan, op de bank hier verderop in de kamer.

Met andere woorden: mijn geest en lichaam en alles dat daar tussenin hangt, kunnen niet zonder de opwinding die een kantoortuin met zich meebrengt; de kwestietjes, eigenaardigheden en akkefietjes die Japke-d. Bouma doorgaans op deze plaats in de krant bespreekt.

Iets zegt me dat een café weliswaar een veel kleiner scala aan afleidingen biedt, maar net genoeg om niet in slaap te vallen. En anders is het wel de onpartijdige toeschouwer in mijzelf, die denkbeeldige collega die mijn gevoelens van schaamte reguleert, die mij behoedt voor het dagelijkse tukje onder het toetsenbord. Maar die toeschouwer, zo heb ik inmiddels wel begrepen, kan niet zonder echte toeschouwers, mensen van vlees en bloed – hoe droevig die conclusie ook is.