Je mocht nooit laten zien dat je om de slachtoffers gaf

Vandaag staan twee ex-Rode Khmerleden terecht voor het Cambodja-tribunaal. Ze worden aangeklaagd voor genocide. Arn Chorn-Pond werd door de Rode Khmer ontvoerd en gedwongen tot doden voor het regime. Hij vertelt zijn verhaal. „Ik wil mezelf vergeven, maar dat lukt niet.”

Hoe ziet het leven van een kindsoldaat in dienst van de Rode Khmer eruit? Onschuldige mensen executeren zonder emotie te tonen. Urenlange dwangarbeid verrichten, met nauwelijks voedsel of slaap. Gescheiden zijn van alles en iedereen wat ooit dierbaar was. Ongehoorzaamheid wordt bestraft met de dood.

De Cambodjaanse Arn Chorn-Pond (48) wordt op zijn twaalfde in Phnom Penh gevangengenomen door de Rode Khmer en dient tijdens dit regime (1975-1979) als dwangarbeider en kindsoldaat. De Cambodjaanse communistische partij streeft naar een landbouwstaat en gelijkheid onder hun eigen volk. Daarom ontruimen ze alle steden en deporteren de bevolking naar het platteland, om daar te werken. Landgenoten die weigeren worden vermoord.

Door de inval van de Vietnamezen in 1978, wordt de Rode Khmer steeds kleiner en eindigt hun bewind begin 1979. In totaal zijn naar schatting twee miljoen mensen omgekomen. Pas in 2004 wordt het Cambodja-tribunaal opgericht om voormalig Rode Khmerleden te veroordelen.

Vandaag zijn er nieuwe ontwikkelingen in de zogeheten rechtszaak ‘Case 002’ voor het Cambodja-tribunaal. De voormalig tweede man van de Rode Khmer Nuon Chea en oud-staatshoofd Khieu Samphan zullen worden verhoord. Beiden worden aangeklaagd voor genocide en misdaden tegen de menselijkheid: opzettelijk moorden, martelen, deportatie en slavernij. Donderdag 7 augustus volgt de uitspraak.

‘Wij zijn nu je familie’

Het is een snikhete dag in Phnom Penh, ruim een jaar geleden. Na een Sampeah-groet – handen gevouwen ter hoogte van het hart en kort hoofdknikje – stapt Arn Chorn-Pond zijn kantoor met airconditioning binnen, waar hij zich bezighoudt met begeleiden van muziekprojecten. Hij gaat zitten op een zijden kleedje op de grond. Dat praat makkelijker, zegt hij. Met blote voeten, want schoenen zijn in Cambodjaanse huishoudens niet toegestaan.

Chorn-Pond wordt met honderden andere kinderen in 1975 door de Rode Khmer gescheiden van hun familie. Rijen kinderen in zwarte overalls lopen dagenlang over Cambodjaanse paden, op weg naar het platteland. „Ik zag een lange, zwarte slang van zevenhonderd ogen.” Door het regenseizoen waren de wegen grote modderrivieren geworden. „’s Nachts was het koud, we hadden geen dekens. Onze leider zei: ‘Niet huilen over mensen die je achterliet. Wij zijn nu je familie’”, vertelt Chorn-Pond.

Na drie dagen lopen worden alle kinderen naar een boeddhistische tempel gebracht, die is omgebouwd tot gevangeniskamp. Daar moeten ze werken. Opstaan om vier uur ’s ochtends, een beetje rijstsoep als ontbijt. Tot twaalf uur ’s nachts ploegen in de rijstvelden. Avondeten is weer rijstsoep, met een beetje zout. Chorn-Pond: „Rustpauzes zijn er alleen op het toilet. Mijn broertje en ik fantaseerden over suiker, noodles en snoep. We hadden zo’n honger dat we giftig fruit aten. ’s Nachts slapen was bijna onmogelijk, kinderen huilden en kreunden.”

Chorn-Pond overleeft door zijn emoties te onderdrukken, afstand te nemen van wat hij om zich heen zag. „Soldaten testten vaak onze emoties, door op een centraal plein gevangenen te martelen en alle kinderen dwingen tot toekijken. Huilen mocht niet, dat betekende dat je om slachtoffers gaf.”

Buiten razen fietstaxi’s, dure Lexussen, scooters en bussen onverstoorbaar door. Phnom Penh is binnen zeer korte tijd een bruisende metropool geworden vol fastfoodketens, luxueuze hotels en talloze clubs met dresscodes. Maar Chorn-Pond is in gedachten terug in het kamp. „We kregen absurde taken van soldaten. Op een dag zei een Rode Khmercommandant tegen mij: ‘Urineer op deze man. Op zijn hoofd, want ze zijn onze vijanden en luisteren niet naar ons.’ Ik dacht: ik doe dit niet. Maar ik keek naar beneden en zag mezelf plassen.”

Een starre, emotieloze uitdrukking verschijnt op zijn gezicht. Monotoon vertelt hij verder. „Soms moesten we de kleren van slachtoffers uittrekken, vlak voor ze vermoord werden. Vooral bij het uitdoen van broeken schopten de mensen vaak.”

De ergste periode voor Chorn-Pond brak aan in 1978, het jaar waarin Vietnam Cambodja binnenviel. Alle kinderen kregen geweren van de kampsoldaten en ze werden de vuurgevechten met Vietnam ingestuurd. Ook Chorn-Pond heeft toen mensen vermoord. Wie weigerde, werd zelf gedood. Duizenden kinderen zag hij sterven voor zijn ogen, zegt hij, vele goede vrienden. „Dat was ondraaglijk, dus ik verlamde mezelf door mijn gevoel uit te schakelen. Omdat ik zelf niet dood wilde, vermoordde ik elke dag mensen en daarmee ook mijn eigen hart.”

Kampsoldaten vermaken

Maar Chorn-Pond heeft geluk. Opgegroeid in een muzikale familie – met een eigen operabedrijf – speelt hij fluit. Wanneer de Rode Khmer een muziekgroep begint, meldt hij zich aan. Hij overleeft door kampsoldaten te vermaken met propagandistische liederen. Ze zijn te horen op de rijstvelden, zodat de kindarbeiders de moorden niet meekrijgen.

Muzikaal zijn betekent dat Chorn-Pond een speciale behandeling krijgt: extra voedsel, niet meer werken op het platteland. En hij mag paardrijden, als ontspanning. Hij speelt nog altijd, vertelt hij – klassieke volksliederen uit de jaren zestig. Geleerd van zijn vader. Rode Khmermuziek speelt hij niet meer.

Na vijf jaar weet Chorn-Pond te ontsnappen uit zijn gevangeniskamp: door de jungle in te rennen. „Ik overleefde door apen te volgen in het bos en at wat zij aten: vooral veel fruit. Of ik at de apen zelf op.” Na een aantal weken zwerven door de bossen kwam hij aan in Thailand, waar hij zijn Amerikaanse adoptievader Peter Pond ontmoette.

Nu, 35 jaar later, probeert hij in het reine te komen met zijn verleden. Vlak na de oorlog is hij depressief en suïcidaal. „Van binnen denk ik dat ik geen goed mens ben. Miljoenen mensen zijn dood en ik leef nog. Niemand snapt dat, maar dat voelt niet eerlijk.”

Nog steeds bang vermoord te worden

Om zijn schuldgevoel te verminderen, stort hij zich nu op kunst. Chorn-Pond wil dat Cambodja bekend wordt om zijn kunst en cultuur, niet om de Rode Khmer. Daarom wil hij traditionele, Cambodjaanse muziek eren, nieuw leven te blazen in wat tijdens het regime is vernietigd. Dit doet hij door oude, Cambodjaanse muzikanten op te zoeken, die de genocide overleefden.

Ze zijn niet gemakkelijk te vinden. Volgens de Cambodjaans-Amerikaanse muziekwetenschapper Sam-Ang Sam is 80 tot 90 procent van de kunstenaars omgekomen tussen 1975 en 1979. Van de 380.000 artiesten blijven er na 1979 driehonderd over. Chorn-Pond vond er vijftien terug, in de straten van Phnom Penh. „Ze waren gedesoriënteerd, dronken en waren niet bereid hun namen te zeggen. Nog steeds waren ze bang om vermoord te worden.”

Met deze artiesten richt hij het ‘Cambodian Master Performers Programme’ op. Omdat veel van deze muzikanten erg oud zijn en de Cambodjaanse muziek van mond tot mond overgedragen wordt, is er haast bij dit project. De kunstenaars dragen hun muzikale kennis over aan honderden kinderen op basisscholen in tien Cambodjaanse provincies, door hen de traditionele instrumenten te leren bespelen.

Hoewel het project hem afleiding geeft, is Chorn-Pond nog lang niet hersteld van wat hij heeft meegemaakt. Wraak drijft hem niet, loskomen van het verleden wel. „Ik wil mezelf vergeven, maar dat lukt niet. De nachtmerries zijn er nog steeds en het schuldgevoel vreet me op.” Maar, zegt Chorn-Pond, „hoe meer goede dingen ik doe voor anderen, hoe meer ik vrij kan zijn van mijn eigen, gruwelijke verleden.”