Column

Een ‘bruine’ op een A-locatie

Karianne Esser (42) vond geluk bij de Orde der Transformanten. Foto’s Peter de Krom

Onder de zeventiende-eeuwse grafstenen op de Portugees-Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel valt het graf van Elieser nauwelijks op. De tekst op de kleine steen is door de inwerking der tijden moeilijk leesbaar: „Sepultura de bom servo Elieser” – graf van de goede dienaar Elieser. Rond dit graf lopen de emoties hoog op.

Op instigatie van de historicus Lydia Hagoort is de steen in 2002 opgegraven. Studerend in het vier eeuwen oude archief van de begraafplaats had ze uitgevonden dat hier in de zeventiende eeuw ook slaven ter aarde zijn besteld. Die bleven meestal anoniem, maar over Elieser geeft het register uit 1629 nader uitsluitsel. „Moreno que foi de Paulo de Pinha”, heet het, „de bruine, die van Paulo de Pinha was”. De Pinha, koopman en dichter, was een aanzienlijk man binnen de Amsterdamse Portugees-Joodse gemeenschap, vluchtelingen voor de jodenvervolgingen op het Iberisch schiereiland.

Tot 2002 was aangenomen dat slavernij op het territorium van de Republiek niet bestond. Een met naam en toenaam in Nederland begraven slaaf sprak met name aan in de brede kring van Nederlanders van Surinaamse of Antilliaanse komaf, die meent dat er te weinig aandacht is voor het slavernijverleden. De Surinaamse culturele vereniging Opo Kondreman organiseert dan ook jaarlijks op Beth Haim een Elieser-herdenking, met toespraken, dans en zang.

De geschiedenis staat niet stil, en archiefonderzoek evenmin. De historicus Odette Vlessing, die op het Stadsarchief van Amsterdam de Portugees-Joodse nalatenschap beheert, meent nu dat Hagoorts conclusies niet deugden. Elieser lijkt een geacht man te zijn geweest, die in de synagoge de Thora mocht lezen en geld spendeerde aan menslievende inzamelingen. Volgens het reglement van Beth Haim in 1629 moesten slaven (die er kennelijk wel waren), bedienden en niet-Portugezen buiten het hek begraven worden, maar Elieser ligt onmiskenbaar op een A-locatie. Het woord ‘servo’ op het graf betekent niet ‘slaaf’ maar ‘bediende’, of wellicht ‘dienaar Gods’. Zwarte joden waren er wel meer. Er is kortom geen goede reden waarom Elieser een slaaf moet zijn geweest. Wellicht was hij huisbediende van Paulo de Pinha, of familie. Het Stadsarchief heeft de archiefstukken waarop deze conclusies berusten op zijn website gezet, zodat iedereen zich een mening kan vormen.

Perez Jong Loy, voorzitter van de Surinaamse vereniging die de herdenking organiseert, klinkt aan de telefoon zeer verontwaardigd. Hij vermoedt vuil spel: „We zijn in Nederland, meneer!” Het is alles typerend voor de onfatsoenlijke omgang met het slavernijverleden, meent hij, en blijft er vast van overtuigd dat Elieser een slaaf was. Vooral ook omdat hij in Elieser zijn eigen geschiedenis terugziet: „Ik kwam in 1962 naar Nederland. Eenzaam dat ik was, als enige zwarte, waar ik ook kwam! Ik weet wat Elieser heeft doorgemaakt.” Soms dicteert het heden het verleden.

In de hal van het stadhuis in Ouderkerk staat, naast een kamerplant, een beeldje van Elieser – in zekere zin immers een beroemde plaatsgenoot. Beeldhouwer Erwin de Vries laat Elieser fier de toekomst in kijken – maar welke zullen we wel nooit weten.