Ze hebben geen hoop, geen dromen

Ernst Coppejan fotografeerde de gay scene van Senegal, waar homoseksualiteit verboden is. Alleen de allersterksten durven uit de kast te komen.

Ze hebben naam noch leeftijd. Ze zijn mooi, met hun gebeeldhouwde trekken en atletische lijven. Wat ze doen is riskant, weten ze – door te poseren brengen ze de obscuriteit die voor hen van levensbelang is in gevaar. Toch doen ze het, met koele berustende ogen.

Senegal, een voormalige Franse kolonie, is een overwegend islamitisch en naar Afrikaanse maatstaven rustig land. „Je hoort er hier niet veel over”, zegt fotograaf Ernst Coppejans (40). „Maar voor homo’s en lesbiennes is de toestand schrijnend. Homoseksualiteit is in Senegal bij wet verboden. Wie uit de kast komt, verliest zijn familie en daarmee ook zijn huis, want iedereen woont bij elkaar. Werk of een opleiding kun je vergeten. Je wordt een paria. Dat durven alleen de allersterksten. De meeste homo’s kiezen voor een heterohuwelijk, en houden er een geheim tweede leven op na door af en toe een prostitué te bestellen.”

Coppejans leerde Senegal kennen op werkbezoeken tijdens zijn vorige baan als product designer. Fotografie is zijn tweede carrière: hij ging op zijn 32ste naar de fotoacademie en maakte na zijn afstuderen in 2009 snel naam als portretfotograaf, met series over onder meer gay escorts (bekroond met de Fotoprijs 2011) en balletjongens.

Het gevoel van anders zijn

Vorig jaar november ging hij voor een maand naar Senegal terug, nu met een camera, met als doel om de gay scene te onderzoeken en zo mogelijk te fotograferen.

Of het zou lukken was onduidelijk – Human Rights Watch en het COC steunden zijn project, maar meer dan twee telefoonnummers had hij niet, zijn Frans was ‘non-existent’ en hij sprak geen woord Wolof, de tweede meest gesproken taal.

Na drie dagen had hij geluk: een van zijn twee contactpersonen koppelde hem aan een 21-jarige vluchteling uit Gambia, die Wolof en Engels sprak. De jongen ontpopte zich tot onmisbare gids, tolk en huisgenoot, want hij verruilde zijn primitieve onderkomen bij een prostituee snel voor een plekje in Coppejans’ appartement. „Ik vertrouwde hem”, zegt Coppejans. „En hij mij ook. Ik ben altijd volstrekt eerlijk. Ik ken het gevoel van ‘anders’ zijn, zij het in mildere vorm. Als jongen in Brabant ben ik enorm gepest, en inmiddels is de vrijheid die ik in de jaren negentig in Amsterdam heb ervaren ook ingeperkt. Mijn vriend en ik aarzelen nu om hand in hand over straat te lopen.”

Via zijn huisgenoot raakte Coppejans verzeild in een chaotische stroom van ontmoetingen met een los-vaste groep van jonge homo’s, zonder baan maar met mobieltjes, die de dagen doelloos scharrelend doorbrengen.

Ze wonen in groepjes bij de enkeling die wel iets verdient, onder wie ‘Diva’, een ontwerper van bruidsjurken, en treffen elkaar soms op ‘under-, under-, underground-feesten’.

De lesbiennes waren angstig

Om ze te fotograferen moest Coppejans met ze de straat op, om op hun huisadres geen enkele argwaan te wekken. „Het was praten, lopen, wachten – véél wachten, want dinsdagmiddag wordt in Senegal zo donderdagochtend.” Had hij ze eenmaal voor de camera, dan ging de rest vanzelf. „Ik wilde ze vooral ‘echt’ fotograferen, speciale poses hoefden niet. Tenzij ze daar zelf voor kozen.”

Het was moeilijk om ook een paar lesbische modellen te vinden. Coppejans: „Lesbiennes hebben het nog zwaarder. Ze zijn stoer, wat in het Senegalese straatbeeld meer opvalt dan een feminiene man. Vlak voor mijn aankomst werden vijf lesbiennes gearresteerd op een feest, dus er hing een angstige sfeer. De vrouwen die toch voor me wilden poseren, toonden heldenmoed.”

Coppejans maakte geen aantekeningen. De verhalen die hij hoorde, beklijven achteraf als één groot verhaal, van verstoting, armoede en isolement. „Ze hebben geen hoop, geen dromen. Het is uitzichtloos.”