Ons dagelijks brood

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Dit is echt niet te eten.” Zelfs mijn moeder – een oorlogskind, die ons leerde geen ‘honger’ maar ‘trek’ te zeggen, altijd ons bord leeg te eten en nooit, maar dan ook nooit eten weg te gooien – laat het staan. „Dit lusten zelfs de vogels niet.”

Voor haar ligt een boterham. Een Amerikaanse. Sponzig en vooral mierzoet. De plak herinnert me aan het voorverpakte fabrieksbrood uit mijn jeugd dat een schattig jongetje op tv aanprees met de onvergetelijke zin: „Ik ga bij Japie wonen, want daar hebben ze King Corn.” Het chemisch bewerkte brood zou eeuwig vers blijven.

Niets zo belangrijk als je dagelijkse brood. In het dorp waar ik opgroeide, bracht de bakker zelf brood rond. Ik zag hem al van ver aankomen in zijn rode bestelauto. Hij sprong eruit, maakte de achterbak open en haalde voor ons uit het houten rek een bruin brood. Zo een met een glanzende korst. Meestal nog warm. We sneden het zelf. De volgende dag was de korst harder en het brood droger, maar eigenlijk nóg lekkerder.

Jaren later in Amsterdam stond ik iedere ochtend tegen zevenen bij de bakker op de stoep voor een heel gesneden casino bruin. Tegen die tijd kwam hij in hoogsteigen persoon uit de kelder, zijn armen vol warme broden. Hij kreeg nauwelijks de tijd het in de rekken achter de toonbank te leggen, zoveel vraag was ernaar. Het had dan ook precies de goede dikte, geur en smaak. Niet te zout, niet te klef.

Ik was ervoor gewaarschuwd en, inderdaad, hier in Amerika blijft het behelpen. Niets frustrerender dan langs de eindeloze schappen vol voorverpakt brood te lopen. Allemaal uit dezelfde fabriek: Bimbo. Veelbelovende namen: vijftien granen, pompernikkel, rogge, maar allemaal bovenmatig gezoet met maissiroop. Behalve het zuurdesembrood, waar dan weer te veel zout in zit om de bedenkelijke smaak weg te werken. Op de verpakking van een van deze broden staat „zacht, wit familiebrood”. Een olijk beertje klemt het onder zijn arm. Als je erin knijpt, veert het terug. Het zou net zo goed wc-papier kunnen zijn.

Ik begrijp nu waarom sandwiches hier zo enorm dik belegd zijn. Waarom je er standaard chips, een augurk en een super-sized cola bij krijgt. Alles om de smaak weg te spoelen.

Weliswaar is in het verwende Princeton een warme bakker die tegen woekerprijzen zijn best doet om er nog wat van te bakken. Een croissant voor 3 dollar per stuk bijvoorbeeld. Of een halfje volkoren voor 6 dollar. Maar de croissant is te groot en te vet, en het brood ligt zwaar op je maag. En ik weiger een eenvoudige boterham als een luxeproduct te zien.

Ik geef niet gauw op, dus als laatste redding probeerde ik de warme bakker in mij wakker te schudden. Ik ging in de oudste traditie mijn eigen brood bakken. Hoe moeilijk kan dat zijn? Daar stond ik dan, zwetend en ploeterend boven het deeg. Uiteindelijk produceerde ik een bescheiden bolletje. In de oven wist het maar matig te rijzen. De harde klomp zag er absoluut niet uit als een Hollands bruin. Ik kreeg meer en meer begrip voor de chemische bestanddelen die de Amerikaanse broodfabrieken in wanhoop toevoegen om dat donszachte wc-brood te produceren. Ook het snijden ging moeizaam. De dikke plakken vielen direct uit elkaar. Zelfs een flinke laag boter en een onfatsoenlijke berg hagelslag mochten niet baten.

Japie is ver, ver van huis.