Mieren als symbool voor nietigheid

Beeld Dries verhoeven

Het probleem is de mier. Preciezer: het zijn die meer dan zeventigduizend mieren die in meer en minder goede conditie 44 gipsen maquettes bevolken die theatervormgever/beeldend kunstenaar Dries Verhoeven (1978) in het Stedelijk Museum in Den Bosch heeft opgesteld. Dit vlijtige diertje, dat zoals bekend zichzelf en zijn soortgenoten meedogenloos opoffert om de soort te behouden, is met zijn mierenhoop al heel vaak uitgeroepen tot symbool van menselijke nietigheid, van de menselijke leefomgeving en de krioelende overdaad daarvan. Als een mier, zo leeft de mens in steden als Tokio en Beijing. Als een mier, zo kan de mens worden vertrapt en fijngeknepen.

Uitgerekend dit niet mis te vatten verband wrijft alleskunner Dries Verhoeven in zijn nieuwe project Homo Desperatus de bezoeker in. Homo Desperatus (de wanhopige mens) wil je op een analytische manier laten kijken naar de diersoort ‘mens’. Hoe ziet zijn lijden eruit? Zijn slechtheid? Zijn zwakte? Verhoeven wil verder gaan dan het door de media aangedragen beeld van leed en wanhoop, dat altijd individueel is. Hij wil de toeschouwer uitdagen, zo stelt hij, „om individuen niet alleen als slachtoffer te zien maar ook als een onderdeel van de mechanismen die de mens over de wereld heeft verspreid”.

Analyse dus in plaats van betrokkenheid. En daarom ook de keuze voor mieren. Want wie gaat de verbinding aan met een mier? Wie rouwt er om een dode mier?

44 spierwitte rampplekken en rampscenario’s zijn in glazen vitrines tentoongesteld in de half verduisterde tentoonstellingszaal. Een lamp, bevestigd aan een rails aan het plafond, glijdt van maquette naar maquette: van een ingestorte textielfabriek in Bangladesh naar het slagveld in Oekraïne (nog zonder de fatale vliegramp), van de kernramp in Fukushima tot een iPhone-fabriek met slavenarbeiders in China. Elke maquette representeert een ondersoort van de mens, allemaal even pessimistisch van aard: er is de zelfdodende, de aan crystal meth verslaafde, de bankroete, de vluchtende. Een camera volgt de lamp, een beamer projecteert de belichte maquette op de wand. Een soundtrack met geluiden van schreeuwende mensen, jagende rotorbladen van helikopters en ontploffende granaten vult de zaal en doet de mieren trillen. Op het projectiescherm kuieren de mieren als reuzen door de gipsen bouwsels of blazen er hun laatste adem uit. Ze moeten – zo begrijp ik van Verhoevens tentoonstellingstekst – ‘de collateral damage’ verbeelden ‘van het menselijke succesverhaal’. Maar of dat overtuigt?

Verhoevens enscenering is die van een opera. De gipsen maquettes zijn beeldschoon. Maar de mieren schuifelen er als decorstukken rond. Ze horen niet tussen de bouwsels, voegen niets toe aan de dramatiek van de uitgebeelde rampplekken. De mieren zijn er kortom voor het effect – simpel, doorzichtig en slecht uitgedacht. Te makkelijk voor een theatermaker en kunstenaar die in het verleden heeft bewezen zoveel subtieler en beter te kunnen.