Mediterraan fanatisme in de rode hel van Luik

In het bombastische Sclessin van Standard Luik begon afgelopen weekeinde de Eerste klasse. „Je ziet nog steeds die staalkoppen.”

De Romeinse sfeer wordt in Luik niet nagebootst. Veel fans stammen af van Italiaanse gastarbeiders die ooit in de Waalse hoogovens en mijnen werkten. Foto Jasper Jacobs

Het is een wondere wereld op een kwartier rijden van de grens. Onooglijk én toch charmant. Rokende schoorstenen, kale heuvels en verkommerde huizen in een donkere achterbuurt. Welkom in Sclessin, een Luikse wijk die eens per twee weken rood aanloopt als voetbalclub Standard Luik speelt. Door de clubkleuren, maar evengoed door de fanatieke achterban. Mediterraan temperamentvol zijn ze, de mannen die elkaar begroeten met een wangkus en zich voor het thuisduel met Charleroi tegoed doen aan liters bier en stokbroden met worst en friet. Allez les Rouches, kom op Rooien.

In deze Zuid-Europese atmosfeer ontwaakt deze avond de Belgische Eerste klasse. Eerder dan welke competitie ook, maar dat komt door de play-offs die in 2008 zijn ingevoerd. Deze zorgen voor een overvolle kalender, waardoor een vroege start noodzakelijk is. Waar in Nederland 34 duels worden gespeeld, zijn dat er over de zuidgrens 40: dertig reguliere, plus maximaal tien in de play-offs, waarin wordt gestreden om de titel, Europees voetbal en lijfsbehoud.

Dat het seizoen twee weken na het WK weer begint, maakt voor Belgische internationals niet uit. Op twee na spelen zij allen in het buitenland. „Je moet die ploeg los zien van onze competitie”, zegt voetbalcommentator Filip Joos. „Het zegt niks over het niveau in de Eerste klasse.”

Ook Alain Ronsse van dagblad Het Laatste Nieuws ziet geen link tussen de nationale ploeg en de Eerste klasse. De kalende zestiger zit al decennia op de perstribune en heeft daarom enig recht van spreken. „Doordat onze top wordt afgeroomd door het buitenland leiden we kwaliteitsverlies”, stelt hij. „Andersom komen daar geen sterren voor terug. Spelers komen niet ineens naar België vanwege de Rode Duivels.

Zowel de woorden van Joos als die van Ronsse bevatten een heldere boodschap: verwacht straks geen oogstrelend voetbal. Helemaal niet van Charleroi, het lelijke eendje van het Belgische profvoetbal. Die club voetbalt zoals de gelijknamige industriestad eruitziet: abominabel. En Standard? Dat voetbalt aardig en wint met 3-0.

Hell Side

Nee, de ware reden voor een bezoek aan Standard Luik is de ambiance. Matig voetbal of niet, de sfeer is bombastisch. Bij Ajax zitten om de week ruim 50.000 toeschouwers, maar de bijna 30.000 op Sclessin maken meer lawaai. Samen vormen ze supporterskernen als Ultras Inferno, Hell Side en Publik Hysterik, sinistere namen met maar één doel: angst inboezemen.

Zo ook vanavond, als de spelers van Charleroi worden begroet met een schel fluitconcert. Voor aanvang van de Waalse derby (3-0) zijn zij gedwongen om hun warming-up te doen voor de tribune met fanatieke fans. „Dat is bewust zo, om te intimideren”, zegt Paul Brauers, een Nederlandse aanhanger die met een groep vrienden een seizoenkaart heeft op Sclessin.

Hij vertelt over de immer beladen ontmoetingen met de Brusselse rivaal Anderlecht. „Hun doelman wordt negentig minuten uitgekafferd. Zie dan maar geconcentreerd te blijven.” Gniffelend: „Vaak maken ze fouten.”

Voor supporters werkt een bezoek aan Sclessin als een uitlaatklep. De voormalige club van Nederlanders als Arie Haan en Simon Tahamata kleurt levens in het grijze Luik. Het centrum is mooi, maar over de rest van de stad hangt een grauwsluier van economische malheur en fabrieksrook. Een donkere wolk die door fabriekssluitingen van staalproducent ArcelorMittal eerder groter dan kleiner wordt. Het gevolg: dreigende armoe. Bijna 30 procent van de Waalse bevolking is arm, tegen 11 procent in Vlaanderen.

Amfitheater

Op de tribune beeldt journalist en Standard-kenner Alain Ronsse uit hoe de club als een uitlaatklep werkt. Hij haalt diep adem, alvorens hij alle lucht in één keer uitblaast. „Zo wordt voetbal hier beleefd, ziet u.” Niet voor niets zijn de prijzen van seizoenkaarten laag. Voor 140 euro mogen supporters een heel seizoen plaatsnemen in dit imponerende amfitheater. Bloed, zweet en tranen gegarandeerd.

Anders dan bij andere clubs wordt de Romeinse sfeer in Luik niet nagebootst. Veel fans stammen af van Italiaanse gastarbeiders die ooit de Waalse mijnen bevolkten. „De fabrieken gaan dicht, maar in het stadion zie je nog steeds die staalkoppen”, zegt verslaggever Filip Joos.

Naast Walen zitten er ook fans van elders op de tribune. Vlamingen (30 procent), maar ook Limburgers als Paul Brauers en zijn vrienden. Nederlanders die verliefd werden op de Rouches. Het mooiste aan zijn club? Brauers, zonder te aarzelen. „De wetteloosheid op een wedstrijddag. Buurtbewoners die bier verkopen vanuit hun keukenraam. Dat zie je nergens.”