Israëls optreden helemaal niet zo disproportioneel

Pariteit en proportionaliteit zijn verschillende begrippen. Ze worden in de kritiek op Israël steeds door elkaar gehaald, vindt Hans Knoop.

Het Israëlische leger maakt bij de huidige Gaza-oorlog ‘disproportioneel’ veel burgerslachtoffers door de inzet van ‘excessief geweld’ en pleegt daarmee zelfs een ‘oorlogsmisdaad’.

Deze als feitelijk juist geponeerde beweringen worden dagelijks op de nieuwsconsument losgelaten. De cijfers – aldus de boodschap – spreken voor zichzelf. Meer dan duizend slachtoffers aan Palestijnse zijde, tegenover nog geen vijftig aan Israëlische kant. Kan het nog navranter en is hiermee het bewijs van ‘disproportioneel’ geweld niet overduidelijk aangetoond?

Het antwoord luidt: nee. Er is met het tegenover elkaar zetten van aantallen in het geheel niet aangetoond dat op basis van het humanitair oorlogsrecht sprake is van ‘disproportioneel’ geweld. Wat in de berichtgeving over Israël consequent door elkaar wordt gehaald zijn de begrippen proportionaliteit en pariteit. Pariteit (gelijkwaardigheid) kent men in het humanitaire oorlogsrecht niet, en voor de vraag of een militair optreden proportioneel is dienen andere criteria te worden gehanteerd dan uitsluitend het tellen van het aantal doden aan weerszijden.

Veel journalisten ter plekke lijken ten prooi gevallen aan het Stockholmsyndroom – de gegijzelde krijgt sympathie voor de gijzelnemer – met als gevolg dat zij zich vereenzelvigen met Hamas en de slachtoffers. Compassie, hoe nobel ook, is echter niet het criterium om objectief vast te stellen of Israël disproportioneel geweld gebruikt. Daarvoor zijn andere criteria in het humanitair oorlogsrecht gedefinieerd. Allereerst moet men zich afvragen of er voor Israël een noodzaak is militair op te treden. Die vraag lijkt met bijna tweeduizend raketten op burgerdoelen in Israël snel beantwoord.

De tweede vraag behelst de subsidiariteit. Kan het door het Israëlische leger beoogde militaire doel – het uitschakelen van de raketlanceerinrichtingen en de vele tunnels – eveneens bereikt worden met inzet van minder vuurkracht of door een andere modus operandi zodat er minder burgerslachtoffers bij zouden vallen? Dit tegen de achtergrond van de inzet door Hamas van menselijke schilden.

Geen enkele militaire deskundige is tot dusverre met een zinnig alternatief naar voren gekomen. De enige hoge militair die publiekelijk kritiek op het Israëlische leger en de gevolgde tactiek en inzet van middelen uitte, is de Britse kolonel b.d. Richard Kemp, voormalig commandant van de Britse troepen in Afghanistan. Maar zijn kritiek is exact tegenovergesteld. Hij is van mening dat Israël harder zou moeten doorstoten en de oorlog met desnoods meer burgerslachtoffers in kortere tijd zou moeten beëindigen. Kemp kwalificeert het Israëlische leger als het „meest morele leger ter wereld”.

Ten slotte is de vraag van de proportionaliteit aan de orde. Daarbij wordt niet uitgegaan van de vraag of er aan de ene kant aanzienlijk meer slachtoffers dan aan de andere kant vallen, maar wordt uitsluitend getoetst of de militaire doelstelling wel opweegt tegenover het aantal slachtoffers dat het realiseren ervan vergt. Men schiet niet met een kanon op een mug.

Maar dat betekent niet dat elke vorm van overkill of overdadig machtsvertoon per definitie disproportioneel is. Als een bankrover een bankemployee gijzelt en een pistool op zijn hoofd zet na eerst drie keer in het plafond te hebben geschoten, betekent dat niet dat ook de politie slechts een enkele agent de bank mag insturen met de instructie eveneens maximaal drie keer in het plafond te schieten. We zien dan in een dergelijk geval een overmacht aan politie op de crimesite, compleet met pantserwagens en scherpschutters.

Pariteit en proportionaliteit zijn volstrekt verschillende begrippen en worden in de kritiek op Israël onophoudelijk door elkaar gehaald.

Voor wat betreft de proportionaliteit wordt in de Gaza-oorlog ook voorbij gegaan aan de doden die onder Israëlische burgers hadden kunnen vallen indien het land zich middels de Iron Dome en schuilkelders niet adequaat tegen de raketregen zou hebben weten te beschermen. Zelfs indien slechts een beperkt aantal raketten doel zou hebben getroffen, zou het aantal burgerslachtoffers aan Israëlische kant een veelvoud van dat in Gaza zijn geweest. Uit het vijfentwintig keer hogere aantal slachtoffers in Gaza wordt door vele commentatoren en politici ook het ongerijmde bewijs geconstrueerd dat Israël in deze oorlog de schuldige partij zou zijn. Alsof het tellen van lijkzakken ooit als bewijs heeft kunnen dienen voor de vraag welk van de partijen de schuldige is – nog afgezien van het feit dat in het oorlogsrecht deze vraag niet aan de orde komt.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er op het Europese continent veel meer Duitsers gesneuveld dan Amerikanen. Zou dat derhalve impliceren dat Hitler de good guy en Roosevelt de bad guy was? Israël zou militair-technisch in staat zijn met een enkele luchtaanval meer burgers te doden dan tot dusverre in de gehele duur van de oorlog het geval is.

Het enig echt disproportionele element in de Gaza-oorlog is de onterechte kritiek op het optreden van het Israëlische leger.