Verse tanksporen vlak bij het wrak

Fotograaf Pierre Crom was dit weekend in het rampgebied. Hij zag ouders zoeken naar hun dochter, er waren ontploffingen enhij zag een rookpluim in de verte.

Angela en George Dyczynski uit Perth, Australië, zijn zelfstandig afgereisd naar het rampgebied, op zoek naar hun dochter.

Fatima, haar naam is Fatima en niemand weet wie zij is. Moeder Dyczynski neemt dat ons, de verzamelde journalisten, kwalijk. „Als je niets weet over mijn dochter Fatima, vraag dan ook niets over haar. Jullie zijn hier om geld te verdienen met mijn dochter.”

Vijf minuten ervoor had mevrouw Dyczynski alle verslaggevers nog bedankt en geknuffeld. Midden in de kerosinelucht, tussen de brokstukken, had Angela Dyczynski verteld dat ze hield van die lucht. Zij was vliegbouwkundig ingenieur.

Oekraïense reddingswerkers arriveren op de rampplek en spreiden zich in een lijn aan de rand van een korenveld. De leider geeft het startsein en het zoeken naar menselijke resten, spullen van slachtoffers en vliegtuig onderdelen is begonnen, gehaast, oppervlakkig, onzorgvuldig.

Het veld is veel te groot voor vijftien reddingswerkers. Er wordt niets gevonden, op een kofferonderdeel na.

Op de weg tussen twee stenen is een bordje geplaatst, een pijl wijst hoe omwonenden het beste kunnen rijden. Omrijden is het advies. De lokale buschauffeur negeert het al dagen.

Een geïrriteerde automobilist stopt, pakt het bordje op, gooit het in de berm en scheurt dwars door de rampplek heen, alsof er niets gebeurd is.

Langs de weg is een maïsveld. Een wit lint geknoopt aan een maïsplant geeft een stoffelijk overschot aan. Een voet, van een blanke man van boven de 40. Ik heb er nu verstand van.

Een Nederlandse missie met forensische specialisten en onbewapende marechaussees is onderweg naar Donetsk. Een persconferentie daar is in voorbereiding.

Ik ben er niet om te fotograferen, maar om te luisteren naar de vragen van de media aan Michael Bociurkiw, de woordvoerder van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

Na afloop zit Bociurkiw alleen aan de bar. Hij gelooft niet in de komst van bewapende Nederlanders op de rampplek: „Het is maar eerst zien dan geloven.”

Met een collega-fotograaf rijd ik naar het rampgebied. We stoppen onderweg om ons kogelvrij vest aan te trekken en een helm op te zetten.

Er zijn verse sporen van gepantserde voertuigen op het asfalt. Een groep omwonenden zegt dat de sporen van Oekraïense tanks zijn en die van de rebellen.

We rijden voorzichtiger het gebied verder in. Er is niemand op de weg, geen auto’s, geen fietsers, geen dorpelingen.

Een zwarte rookpluim stijgt op boven het gebied. Ontploffingen zijn in de omgeving te horen. Met mijn collega-fotograaf besluit ik terug te keren naar Donetsk.

Ik hoor dat een Nederlandse cameraploeg vastzit bij een gevecht in Torez en schuilt in een kelder. We houden telefonisch contact.

Het was de juiste beslissing, terugkeren naar Donetsk, vier uur reistijd. Geen foto’s, maar veilig thuisgekomen.

De Nederlandse marechaussee is in een hotel in Donetsk gearriveerd. Ongewapend, wel in uniform. Buiten staan zwaarbewapende elitetroepen van de rebellen.

De deur van een vergaderruimte gaat op slot. De missie is tijdelijk opgeschort vanwege het gevaar. Het lijkt erop dat het Oekraïense leger het rampgebied aan het veroveren is.

Een OVSE-missie gaat de weg verkennen onder begeleiding van de rebellen. Wij volgen de stoet SUV’s. Aan de zuidelijke rand van Donetsk is het checkpoint gesloten. De missie mag doorrijden. Wij en andere voertuigen niet.