Vaarwel, spinvisite

Illustratie Olivia Ettema

De 22 kasten hebben ieder 20 laden, en in iedere lade staan 400 volbeschreven kaartjes. Diep verscholen in de archiefruimtes van het Meertens Instituut in Amsterdam pronkt het beroemdste kaartsysteem van Nederland. Het bevat de talloze fiches die J.J. Voskuil en zijn medewerkers decennialang nijver uittikten over bijna ieder onderwerp dat ze tegenkwamen – samen het uitgebreidste, nooit uitgegeven, culturele woordenboek in onze taal.

Het systeem werd niet beroemd doordat er groots wetenschappelijk werk mee werd verricht maar doordat het een rol speelde in Voskuils roman Het Bureau. „In principe staat ieder woord erin”, zegt Voskuils alter ego Maarten Koning in dat boek, waarop zijn gesprekspartner onder buxus kijkt en ziet dat dit toch heus ontbreekt. Maarten typt dan een kaartje met de tekst ‘buxus. zie:palm’ en vult de lege plek.

Dat kaartje is er niet meer – het is in de loop van de tijd vervangen door vijf fiches met informatie over de rol die de buxus speelde in de Nederlandse samenleving. Zoals tienduizenden andere woorden van een toelichting worden voorzien, van A.E.I.O.U (‘De vijf klinkers die keizer Frederik III liet aanbrengen op munten, tafelzilver etc.’) tot en met Zwarte juffrouw (‘zie: spookvrouw’).

De meerderheid van de gegevens is nooit werkelijk gebruikt. Voskuil wilde niet dat anderen het verzamelde materiaal zouden raadplegen voordat zijn medewerkers er onderzoek mee hadden gedaan. Dat onderzoek kwam er vervolgens niet van.

Af en toe dwaal ik – ik werk op het Meertens Instituut – door de archieven: geen rustgevender besteding van een lunchpauze dan een willekeurig kaartje uit de bakken te nemen. De meeste bevatten niet meer dan een literatuurverwijzing, maar op andere is een lang vervlogen tijd vastgelegd in een definitie.

Spinvisite. Jonge meisjes kwamen op winteravonden bij elkaar thuis, waar het spinnewiel snorde en de wol gewonnen werd. De jonge mannen uit de omgeving verzamelden zich dien avond eveneens.”

Deventer koek. In Deventer was bepaald dat de bakkers van de bekende koek onder ede moesten verklaren dat zij bij het bereiden van de honig geen water zouden gebruiken.”

Bijnaam. Klaas Zeeman wordt in Zuid-Scharwoude de ‘zachtzure’ genoemd, omdat hij een keer op de fruitveiling, toen hem naar een soort appels gevraagd werd, niet zo spoedig op de soortnaam kon komen en daarom antwoordde: ‘’t binne zachtzure.’” Anderhalve lade is gevuld met spookverhalen, geordend naar jaar, van 1961 tot 1972.

Ik ben binnenkort misschien voor lange tijd de laatste die deze kaartjes nog heeft ingezien. Het Meertens Instituut wordt in 2015 waarschijnlijk samen met andere onderzoeksinstituten in de Amsterdamse binnenstad gevestigd. Daar passen alleen de collecties bij die nog echt gebruikt worden voor onderzoek. De rest zal elders worden opgeslagen: veilig en dus onbereikbaar.

Alles scannen en op internet zetten zou een oplossing zijn, maar dat kost middelen die beter kunnen worden ingezet voor gewichtigere archivalia. En zo zullen dan over niet al te lange tijd twee tijdperken definitief worden bijgezet: het tijdperk waarin men op spinvisite ging. En de tijd waarin dit alles werd vastgelegd om er ooit, in een onbestemde toekomst, iets mee te doen.