Rijke, open landen kennen altijd migratie

De eerste migrant die ik ooit leerde kennen was M. Het was 1971, ik was 14 en deed vakantiewerk in de werkplaats van de lokale Simca-Chryslerdealer. Voor vijftig gulden per week (zwart) was ik de assistent van M., uit Turkije. Hij poetste auto’s en tectyleerde ze. Dat was een antiroestbehandeling, die neerkwam op het inspuiten van het chassis en de carrosserie met een teerachtige substantie.

Vies werk dus, waarvoor ik hoofd en schouders van M. inpakte in grote vellen papier.

Ik herinner me zijn licht bruine, immer met tectyl bespikkelde gezicht dat me uit de smeerput breed lachend aankeek. Samen stonden we onderaan in de pikorde; we werden rond gecommandeerd door de monteurs. Toch mocht ik de Mercedes van de baas de autowasruimte in rijden. En hij niet. Je wist het maar nooit, met zo’n Turk, zei de baas hardop. Ik koesterde zijn autosleutel, voelde me heel wat en dacht pas later na.

De migrant die ik nu het best ken is Y. Zij kwam ooit uit Marokko en houdt al bijna 20 jaar het huishouden van mijn bejaarde moeder draaiend. Mede dankzij haar leeft ze nog zelfstandig. In mijn leven, en zeker dat van haar, is ze dus een sleutelfiguur. Zonder Y. zag het er heel anders uit.

Wat voegen migranten eigenlijk toe aan de samenleving? Ik dacht eraan toen ik de recente oratie over migratie van Oxford-wetenschapper Hein de Haas aan de Universiteit van Maastricht op Youtube volgde. Mythen, hysterie en feiten, is zijn titel. Xenofobie vindt hij een groter probleem dan migratie. Begin deze maand sloot de Vluchthaven in Amsterdam – na de vluchtkerk, de vluchtschans, vluchtgarage, de zoveelste variant op de goot van de verzorgingsstaat, voor uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug kunnen, willen of durven. Of en zo ja welke minimumopvang er voor uitgeprocedeerden moet zijn, is politiek een heet hangijzer.

Het aantal vluchtelingen is intussen groter dan ooit, rekende UNHCR vorige maand voor. Met 51 miljoen wereldwijd, meer dan na de Tweede Wereldoorlog. Lees maar na in de krant: de lekke bootjes bij Lampedusa, de kinderexodus vanuit Midden-Amerika, de Syrische uittocht. Ontheemding is het verhaal van deze tijd. Het debat in Nederland is intussen vastgelopen, in aannames en angsten. Nog vorige maand waarschuwde de premier voor de „ontwrichting” van Nederland omdat er duizend Eritreeërs per maand zouden (blijven) komen. Die kwamen dus niet.

De Haas benadert migratie nuchter en ontkracht zeven populaire mythes, zowel van links als van rechts. Hij noemt zijn eigen standpunt een cliché, dat toch herhaald moet worden. Migratie is onvermijdelijk in rijke, open samenlevingen. Het hoort bij economische liberalisering en welvaart en het wordt hoofdzakelijk gedreven door arbeidsvraag. De groei van migratie loopt vrijwel gelijk op met de bevolkingsaanwas. De aantallen zijn groter geworden, maar de wereldbevolking ook. Er is van massa-immigratie geen sprake, in relatieve zin dan. Wel is de richting veranderd. Het zijn nu niet de Europeanen die elders gaan wonen, maar burgers uit andere landen. Praten over een explosie of tsunami van migranten is retoriek. Netto schommelt de bevolkingsaanwas door migratie in Nederland sinds 1948 op slechts 0,2 procent.

De hysterie verklaart hij uit de politieke behoefte aan een externe vijand. Strenge grensbewaking, scherpe selectie en meer visa hebben vaak averechtse effecten. Het leidt tot ‘nu of nooit’ migratie. Het stimuleert reizende migranten om zich permanent te vestigen. Migratie is meestal ‘circulair’ – men komt, maar gaat ook weer. Als de ‘grenzen dicht gaan’ dan gebeurt dat automatisch aan twee kanten. Zo krijg je dus Vluchtkerken, wachtkamers van Fort Europa.