Oost-Oekraïners proberen massaal weg te komen

‘We dachten twee weken te blijven. Het is al een maand.’

Ze lijken onbezorgd, de kinderen die op een industrieterrein aan de zuidrand van Kiev tussen de enorme hangars over het beton rennen. „Maar ze worden nog steeds nerveus als ze vliegtuigen horen”, zegt Irina (33). Ze vluchtte met haar drie pleegkinderen een maand geleden uit Krasnodon, een belegerde stad bij de Russische grens onder controle van pro-Russische separatisten. Het was onleefbaar geworden. „We zijn vertrokken toen we beseften dat we echt in levensgevaar verkeerden. We verlieten de stad onder het geluid van Grad-raketten.”

Met zo’n tweehonderd vluchtelingen uit Donetsk en Loegansk woont ze in dit opvangcentrum, gerund door een kerk. „Aanvankelijk dachten we twee weken te blijven”, zegt Irina. „Nu duurt het al een maand.” Er wordt geslapen in een metalen barak. Met spaanplaten en doeken zijn compartimenten geïmproviseerd. In een hoekje van de hangar zitten mensen te chatten en nieuwssites te lezen. „We hebben inmiddels wifi”, zegt Alexi Prelov (27), coördinator van de kerk.

Ook Prelov is een vluchteling uit Krasnodon. „Samen met enkele vrienden deed ik aan pro-Oekraïens activisme”, zegt hij. „We verwisselden vlaggen van de Volksrepubliek Loegansk voor Oekraïense, maakten documentaires voor YouTube en pro-Oekraïense tv-kanalen.” Het leverde hem eerst doodsbedreigingen op.

Toen hij troepenbewegingen filmde werd hij samen met een vriend gearresteerd, zegt hij. „We werden opgesloten en de separatisten overlegden of ze ons moesten verhoren of vermoorden. Toen werden er dronkelappen de cel binnengebracht, een van hen had een telefoon. We wisten vrienden te bereiken met kennissen bij de separatisten. Die hebben ons bevrijd. Het zijn niet allemaal slechte mensen.” Voor Prelov was die aanhouding het sein om te vertrekken, zegt hij.

Volgens cijfers van de Verenigde Naties sloegen zo’n 230.000 Oekraïners op de vlucht sinds het begin van het conflict: 130.000 mensen richting Rusland, 100.000 binnen Oekraïne. Nu de gevechten in het oosten nog verder verhevigd zijn, proberen de inwoners van het gebied massaal weg te komen.

Dat liefdadigheidsorganisaties zo’n actieve rol spelen, wijst op een ontoereikende reactie van de overheid, zegt Petro Tivikov. Hij is één van de bestuurders van het Maidan-ziekenhuis in Kiev dat opgericht werd om gewonden van de protestbeweging te verplegen. „In plaats van voldoende bijstand te bieden, vraagt de regering aan ons om hen te helpen.” Hij beent snel door de drukke gangen van station Kiev-Pasazhirskyi. Zijn team heeft net zestien bejaarde mannen en vrouwen, met vale gezichten en zwachtels rond de armen, van de trein uit Loegansk geholpen.

„Dit zijn mensen die nierdialyses nodig hebben”, zegt Tivikov. „Die krijgen ze niet meer in Loegansk.” Daar heeft het ziekenhuis geen elektriciteit meer en medicijnentransporten komen vaak niet meer aan, zegt hij.

Op weg naar een ziekenhuis met een dialysecentrum, wrijft Olga, een dame in een keurige zwarte jurk, met een handdoek door haar haar. Het is heet in de bus. Gevraagd naar de omstandigheden in het ziekenhuis in Loegansk, begint ze te huilen. „Ik kon ze raketten horen afschieten vlakbij het ziekenhuis. Ik ben apolitiek. Ik wil gewoon dat het ophoudt. Mijn familie is daar nog steeds, om op het huis te letten. Tot ze ook dat aan flarden schieten.”

Even later, in het Maidan-hospitaal in het stadscentrum, toont Tivikov de gedoneerde babyvoeding, medicijnen en knuffels die opgestapeld staan in de gangen en nissen van het uitgewoonde gebouw. In zijn kantoortje laat hij foto’s zien van een onderkomen voor vluchtelingenkinderen op het platteland. De kinderen poseren lachend met de gemaskerde leden van een pro-Oekraïens vrijwilligersleger. Op het oude landgoed van Viktor Janoekovitsj wordt gewerkt aan nieuwe behuizing voor zwangere moeders en hun kinderen, zegt hij.

Hoe moet het straks verder? De 42-jarige Igor, een handelaar in medische apparatuur, volgt de oorlog op de voet. Hij ziet de toekomst in angst tegemoet. Met elke dag dat dit duurt gaat ons land een jaar achteruit, zegt hij. „En de vluchtelingen? Die kunnen nu wel een maand of twee op de steun van de overheid rekenen. Maar hun huizen zijn vernield. Moeten ze hier dan allemaal op zoek naar een baan? Er is al te weinig werk. Dit wordt een groot probleem.”