Koekeloeren naar het New York van de jaren negentig

Rakoff wilde niets liever dan onderdeel zijn van de New Yorkse schrijverswereld. Dat lukte, en ze kwam in contact met Salinger.Ze schreef een zedenschets en brengt een ode aan diens werk.

Soms zet een titel je op het verkeerde been. De eerste gedachte die Joanna Rakoffs autobiografische Mijn jaar met Salinger bij me opriep was: ja hoor, weer zo’n jong meisje dat zich in het web van ’s werelds beroemdste literaire kluizenaar heeft laten vangen en jaren later haar moment in de zon komt opeisen. Precies zoals Joyce Maynard deed in At Home in the World (1998), een terugblik op de affaire die de toen 18-jarige Maynard had met de vijfendertig jaar oudere schrijver. Of Salingers dochter Margaret in Dream Catcher: A Memoir (2000).

Salinger (1919–2010) had zich de laatste halve eeuw van zijn leven zo vakkundig van de buitenwereld afgesloten, dat er automatisch een markt is ontstaan voor boeken die ons door de gordijnen van zijn huis in Cornish, in New Hampshire, laten koekeloeren. Bovendien weten we, mede dankzij de recente biografie van David Shields en Shane Salerno, dat Salinger veel meer jonge vrouwen heeft verstookt dan alleen Joyce Maynard.

Maar Joanna Rakoff stelt ons in een fraai eerste hoofdstuk direct gerust. Dit is een boek dat over J.D. Salinger gaat, maar vooral over een generatie, een tijdsgewricht (midden jaren negentig), een stad (New York) en het literaire bedrijf. Het is meer zedenschets dan exposé. ‘Met zijn honderden, duizenden, kleedden we ons zorgvuldig in het grijze ochtendlicht van Brooklyn, Queens en de Lower East Side,’ schrijft Rakoff, ‘en we verlieten onze appartementen beladen met draagtassen vol manuscripten, die we lazen terwijl we in de rij stonden voor de Poolse bakkerij, de Griekse traiteur, het restaurantje om de hoek, en wachtten tot we onze koffie konden bestellen, licht en zoet, en onze versnaperingen, om mee te nemen in de trein, waar we hoopten op een zitplaats zodat we nog meer konden lezen voordat we arriveerden in onze kantoren in Midtown, Soho en Union Square.’

Zelf verhuisde Rakoff na haar afstuderen naar New York, het kloppend hart van de literaire wereld. Het is 1996, Rakoff is dan drieëntwintig. Zoals veel generatiegenoten woont ze onder twijfelachtige omstandigheden in Williamsburg, Brooklyn – eerst met een huisgenote, later met haar vriend, de bokser annex literaire wannabe Don, in een huis dat verwarmd moet worden door de oven wagenwijd open te zetten.

Hongerloon

Rakoff hunkert naar de glamour van het literaire bedrijf en weet een baantje te bemachtigen bij een gekend literair agentschap. Voor een hongerloon – te weinig om werkelijk van te kunnen leven – assisteert ze een niet nader bij naam genoemde grootheid, een incompetente oudere dame met onbegrijpelijke nukken. De patina van de glamour blijkt nogal dof, al kleeft aan het Agentschap onmiskenbaar romantiek. Het is een ander decennium blijven steken: een wereld van dictafoons en typemachines; een wereld zonder computers en het in opmars zijnde internet.

De belangrijkste cliënt van het Agentschap is J.D. Salinger, die al decennia niet meer gepubliceerd heeft, maar wiens oeuvre onverminderd zakelijke vraagstukken genereert. Rakoff krijgt te horen dat ze Jerry, zoals hij genoemd wordt, aan de telefoon kan krijgen, direct dient door te verbinden, zonder hem te verleiden tot een gesprek. Dat probeert ze, al werkt Jerry zelf niet erg mee. En dan is er de vele fanmail, die Jerry niet onder ogen wenst te krijgen, en die met een standaardbrief door Rakoff dient te worden afgehandeld. Daarmee is de basis gelegd voor de elementen die dit – een sporadische valse noot daargelaten – goed geschreven en vaak geestige boek voorstuwen. Rakoff toont ons werelden op een kantelpunt: Brooklyn vlak voor de gentrificatie en de boekenwereld die, met ogen dicht, de digitale storm tegemoet gaat. Ze biedt een inkijkje in de realiteit van het boekenvak – de werkdruk en schamele betaling, de omgang met grillige karakters – en vertelt in het universele verhaal van een jonge vrouw die haar plek in de wereld zoekt. Waarheen, waarvoor, met wie? Wil ik agent zijn of zelf schrijven? Is dit mijn wereld, of wacht een burgerlijker, rustiger bestaan in een buitenwijk?

Mythevorming

Voor Salinger-adepten is het interessant vanuit een hele andere invalshoek inzicht te krijgen in een curieuze voetnoot: het moment dat de schrijver besluit in zee te gaan met een klein uitgeverijtje voor de boekpublicatie van zijn laatste verhaal, ‘Hapworth 16, 1924’. Rakoff laat feilloos een pijnlijke waarheid zien: hoe het gedrag van omstanders verandert onder invloed van mythevorming. Ja, Salinger is een enigszins excentrieke literaire opa, maar dat rechtvaardigt niet die verkrampte wijze waarop zijn lezers, zijn uitgever en zijn literair agent met hem omspringen. De ‘Hapworth’-deal is daarvan het summum. Die dwingt het Agentschap ‘nieuw terrein te betreden,’ aldus Rakoff. ‘Een wildwestversie van de Salinger-etiquette.’ Je begint je al snel af te vragen wie er nu precies niet helemaal in orde is.

Daar zou je kritiek in kunnen lezen, maar Rakoff brengt ook een ode aan Salingers werk, dat langzaam ontsluierd wordt.

Het verfrissende van Mijn jaar met Salinger is dat Rakoff niet vanaf de eerste bladzijde van het boek met hem dweept. Sterker: door vooroordelen heeft ze niets van hem gelezen. Ze is geïnteresseerd in ‘moeilijke, kranige fictie in dikke, grootse romans’. Oftewel: Pynchon, Amis, Dos Passos, Faulkner, Didion en Bowles, ‘schrijvers wier zwaarmoedige, meedogenloze stijl in schril contrast stond met wat ik me voorstelde over Salinger: onuitstaanbaar snoezig, opzichtig spitsvondig, gekunsteld.’

Ze leert hem eerst kennen als een luidruchtige stem aan de telefoon, daarna via de brieven van fans. Ze komen van collega-oorlogsveteranen die begrijpen dat Salingers hele werk over rouw en trauma gaat, en van adolescenten die zich vereenzelvigen met Holden Caulfield uit De vanger in het graan, met Franny of met Zooey. Iets in de brieven maakt dat Rakoff zich geroepen voelt op eigen titel terug te schrijven.

Zoals miljoenen voor haar, is ze door Salinger aangeraakt. Maar pas wanneer Rakoff eindelijk zijn werk gaat lezen begrijpt ze ‘waarom de fans Salinger schreven, hem niet alleen schreven, maar hem in vertrouwen namen, hem in vertrouwen namen met zulke urgentie, zulke empathie en compassie, met zulke overtúíging. Want het lezen van een verhaal van Salinger is niet zozeer een kort verhaal lezen, als wel dat ervaren alsof Salinger zelf zijn relaas in je oor fluistert. De wereld die hij creëert is tegelijkertijd tastbaar en echt en vreselijk aangedikt, alsof hij met blootliggende zenuwen rondging op aarde.’

Mijn jaar met Salinger is een treffend portret van de boekenwereld en de botsing tussen werkelijkheid en mythe. Maar uiteindelijk is het vooral een portret van een jonge vrouw die zelf met blootliggende zenuwen kampt.