Kabinet wil niet het conflict in Oekraïne ingezogen worden

Een gewapende missie in Oost-Oekraïne is volgens Rutte „niet realistisch” en zou juist tot escalatie kunnen leiden. Critici vrezen dat de onbewapende Nederlandse werkers speelbal worden van de strijdende partijen.

George en Angela Dyczynski uit Perth, Australië, bezochten zaterdag de plaats waar de resten van de MH17 liggen. Hun dochter Fatima kwam om bij de ramp. Ze legden een knuffel en bloemen neer. Foto’s Reuters, AFP

De omschrijving is er nu: het wordt een „repatriëringsmissie”. Deze zal Nederland in het oosten van Oekraïne inzetten om mee te werken aan de zoektocht naar de laatste stoffelijke resten van de 298 slachtoffers van rampvlucht MH17 van Malaysia Airlines.

De missie duurt maximaal drie weken en wordt uitgevoerd door onbewapende leden van de Koninklijke Marechaussee, hoewel lichte persoonlijke bewapening tot de mogelijkheden behoort – zodra daarvoor toestemming is. Het wordt in elk geval geen grootschalige militaire operatie, blijkt uit de brief die het kabinet gisteren na een hoogst uitzonderlijke ministerraad op zondag naar de Tweede Kamer stuurde. Geen ‘send in the Marines-actie’ die misschien wel in het hoofd van minister-president Rutte speelde, zoals hij vrijdag in de Tweede Kamer erkende. Maar gewapend ingrijpen is, zegt hij, „niet realistisch”.

Gisteren zei Rutte op een persconferentie na de vergadering op het Catshuis: „Inzetten op het veiligstellen van de rampplek via een militaire operatie sluit misschien wel aan bij het gevoel dat veel mensen, waaronder ikzelf hebben, maar het draagt simpelweg, zo is onze conclusie, niet bij aan het realiseren van onze allerhoogste prioriteit: het zo snel mogelijk repatriëren van de slachtoffers.” Rutte illustreerde zo de spanning tussen gevoel en Realpolitik.

In een brief aan de Eerste en Tweede Kamer lichten de ministers Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA), Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD) en Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) hun besluit toe: „Het verkrijgen van een militair overwicht door een internationale missie in dit gebied is niet realistisch, zelfs niet met massale inzet van militairen. Het risico is daarbij ook reëel dat zo’n internationale missie rechtstreeks betrokken raakt bij het conflict in Oekraïne, dat daarmee meteen een internationale dimensie zou krijgen, die verdere escalatie in de hand zou werken.”

Om de nog resterende stoffelijke overschotten en persoonlijke bezittingen van de slachtoffers te vinden, zijn de hulptroepen volgens de ministers juist gebaat bij het voorkomen van escalatie. „Hoe minder de missie aanleiding geeft tot escalatie, hoe groter de kans op een snelle en volledige uitvoering van de werkzaamheden”, schrijven zij.

Vanaf vrijdag zijn al 23 experts van het Landelijk Team Forensisch Onderzoek en 40 leden van de Koninklijke Marechaussee naar Oekraïne vertrokken. Of zij daadwerkelijk aan de slag kunnen, hangt af van de actuele veiligheidssituatie. Gisteren kon dat als gevolg van gevechten in de buurt tussen het Oekraïense leger en de separatisten in elk geval niet, vandaag leken de omstandigheden gunstiger.

In de jongste brief van het kabinet wordt nog eens een contingent marechaussees en forensisch experts aangekondigd waarmee de capaciteit „stap voor stap” kan worden versterkt. Het gaat in totaal om 60 onderzoekers en 160 leden van de marechaussee. Daarnaast kunnen Australië 150 en Maleisië 68 politiemensen voor het opsporingswerk op de 35 vierkante kilometer beslaande rampplek leveren.

Allemaal onbewapend. Of toch een beetje bewapend? De mogelijkheid van handvuurwapens voor de marechaussees ten behoeve van hun persoonlijke beveiliging sluit het kabinet namelijk niet uit. Het verdrag met Oekraïne dat Nederland heeft gesloten en dat nog door het Oekraïense parlement moet worden bekrachtigd sluit dit niet uit. Ook de internationale waarnemingsorganisatie OVSE, die de contacten onderhoudt tussen de separatisten en de andere landen, heeft met hen de mogelijkheid van lichte bewapening besproken.

Het hierdoor toch hybride karakter roept bij mensen die nauw betrokken waren bij vorige Nederlandse militaire missies vraagtekens op. Oud-diplomaat Peter van Walsum, die actief was ten tijde van de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië, wijst op zijn website op het verkeerd uitgepakte besluit van Nederland om indertijd bewust lichtbewapende militairen naar Bosnië te sturen.

Volgens oud-minister van Defensie Joris Voorhoeve, nu lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, blijft de missie door de in-between’’ houding „erg kwetsbaar”. „Je kiest óf voor adequate bewapening of voor een puur humanitaire missie”, vindt hij. Veel logischer was volgens hem geweest als het kabinet een beroep had gedaan op het Rode Kruis, als het opsporen van de stoffelijke resten de topprioriteit is. De kans daarop met marechaussees is kleiner, vreest hij. „Dat zijn en blijven delen van de krijgsmacht. Zo zullen ze worden beschouwd.”