Wij zijn hardwerkende mensen

Veel bewoners van blanke arbeidersbuurten voelen zich achtergesteld, blijkt uit een internationaal onderzoek. In het Blauwe Zand in Amsterdam tasten onder meer yuppen het gemeenschapsgevoel aan.„In rijkere buurten wordt vaker het vuilnis opgehaald.”

Het Blauwe Zand

In het Blauwe Zand zijn de voortuintjes ingericht als een tweede woonkamer. Een bankstel, wat kussens, een salontafel. Het enige wat ontbreekt, is een televisie – die wordt meestal alleen tijdens het WK buiten gezet. Hier, in de voortuintjes, zitten de buurtbewoners ’s zomers bij elkaar. Drinken een biertje, groeten iedereen die voorbijkomt. Zo gaat dat in het tuindorp in Amsterdam-Noord.

Blauwe Zanders zijn harde werkers. Ze hebben vaak banen in de bouw, als glazenwasser of in de zorg. Bijna tweederde van de potentiële beroepsbevolking is laag opgeleid en ze hebben lage inkomens. De schooluitval is hoog: 25 procent. Er wonen voornamelijk autochtone Amsterdammers, zo’n 75 procent. En er staan veel sociale huurwoningen. Verspreid over de 900 kleine eengezinswoningen wonen ongeveer 2.000 mensen. Mensen wonen er gemiddeld 15 jaar.

De bewoners zijn trots op hun buurt, hebben een sterk gemeenschapsgevoel, maar toch neemt de onvrede toe. Ze voelen zich in de steek gelaten en achtergesteld door de overheid. En ze voelen zich bedreigd door nieuwkomers in de buurt, migranten en yuppen. Dat blijkt uit het deze maand gepresenteerde onderzoek Europe’s White Working Class Communities van de internationale non-gouvernementele organisatie Open Society Foundations (OSF), opgericht om democratie en tolerantie te bevorderen.

OSF ondervroeg bewoners in blanke arbeidersbuurten in zes Europese steden, Aarhus, Berlijn, Lyon, Manchester, Stockholm en Amsterdam onder meer over werkgelegenheid, gezondheid, huisvesting, politiek en media. In Amsterdam werden twee buurten in Noord onderzocht: Floradorp en Tuindorp Buiksloot, beter bekend als het Blauwe Zand.

Talentontwikkeling

Bewoners van het Blauwe Zand zien allerlei voorzieningen verdwijnen, zegt Saskia Welschen, onderzoeker van het OSF. De afgelopen jaren onder meer een jeugdhonk, de speeltuinbeheerder en de betaalde krachten van het buurthuis in de wijk. „Ze hebben het gevoel dat dat van hen wordt afgepakt. Intussen krijgen aangrenzende multiculturele wijken wel geld, zoals de oude Vogelaargelden voor achterstandsbuurten. Zelfs de rijkere buurten, zoals de aangrenzende Rode Kruisbuurt, krijgen meer aandacht, hebben ze het idee. De straten worden daar regelmatig geveegd, het vuilnis vaker opgehaald.”

Vorig jaar dreigde ook het laatste buurtcentrum in de wijk, De Driehoek, te verdwijnen, omdat de gemeente de subsidie stopzette. Een aantal buurtbewoners nam het initiatief om het buurthuis te runnen. Precies wat het stadsdeel wilde: een participatiesamenleving. Het stadsdeel kwam de buurtbewoners tegemoet door een lage huur te vragen.

Toch heeft het buurtcentrum het moeilijk, vertelt Jeanette de Waard, bestuurslid van De Driehoek en vrijwilliger van de kerkelijke organisatie Hoop voor Noord. De meeste buurtbewoners staan niet te springen om vrijwillig in het buurtcentrum aan de slag te gaan. „Ze houden nog te veel vast aan de oude verzorgingsstaat waarin alles voor hen was geregeld. Het idee dat ze het zelf moeten doen, vinden ze vreemd.”

Voor wie het toch al niet breed heeft, zijn de veranderingen in het buurthuis groot, beseft De Waard. Buurtbewoners moeten ineens een ruimte huren als ze een activiteit willen organiseren. De wekelijkse bingo is dus niet meer gratis. Ook het afrekenen van consumpties gaat niet meer op vertrouwen. „De kas kwam altijd tekort, dus er staat nu iemand achter de bar die afrekent.”

Sinds het jeugdhonk in de buurt dicht is, chillen de jongeren op straat, vertelt een jongen (17 jaar, Ajaxtrainingsbroek) zittend op de bagagedrager van zijn fiets. Het alternatief, een jeugdcentrum bij het IJplein, vinden ze te ver weg. Bovendien is dat jeugdcentrum gericht op ‘talentontwikkeling’: dansen en muziek maken. „Wij willen gewoon een biertje drinken en ganja [wiet] roken.”

En dus vervelen hij en zijn vrienden – jongens en meiden tussen de 15 en 18 jaar oud – zich nu kapot in de enige speeltuin van de buurt. In mei staken een paar jongeren een schuurtje in de fik. Terwijl uitgerekend die plek door een aantal buurtbewoners aan de jongeren ter beschikking was gesteld om daar met elkaar af te spreken.

Hallo Turk

Buurtbewoner Jolanda Hijzelendoorn (43 jaar, zwart heuptasje en gouden ketting met haar naam) is de jongerenoverlast spuugzat. „Ik zit er met mijn neus bovenop”, ze wijst naar het zijraam van haar portiekwoning dat uitkijkt op de speeltuin. „Elke avond zitten ze er te drinken, te roken, lawaai te maken tot drie, vier uur ’s nachts. Door hen ligt er ook altijd zoveel rotzooi in de speeltuin.”

Het enige wat helpt, is een grote mond opzetten, zegt Hijzelendoorn. „Zo dwing je respect af in deze buurt. Praten met de ouders werkt niet, want die zijn nog asocialer dan hun kinderen.” De politie bellen is ook geen optie, want dan word je gezien als verrader. „Dan krijg je sowieso een steen door de ruit.”

Blauw Zanders zijn wantrouwig. Onbekenden, de politiek, de politie, media. Ze moeten er niets van hebben. De overheid stelt hen keer op keer teleur door wijkvoorzieningen weg te bezuinigen. En journalisten verspreiden alleen maar negatieve verhalen over de buurt en haar bewoners, vinden ze. „Het Blauwe Zand wordt vaak neergezet als een buurt van asocialen, white trash”, zegt Saskia Welschen. „Terwijl bewoners zeggen: wij zijn geen Tokkies. Wij zijn hardwerkende mensen.”

De buurtbewoners hebben al sinds de bouw van het tuindorp in de jaren dertig last van dat imago. De wijk werd destijds gebouwd om grote gezinnen onder te brengen uit verschillende Amsterdamse arbeidersbuurten aan de andere kant van het IJ, zoals de Jordaan en de Kinkerbuurt. Sindsdien stond het Blauwe Zand bekend als buurt voor asocialen.

Ook recente incidenten dragen bij aan het stigma, want het schuurtje is niet het enige wat in vlammen opging in het Blauwe Zand. Dat gebeurde ook met het speeltuingebouw, omdat de gemeente het aan een Ghanese kerkgemeenschap wilde verhuren.

In het Blauwe Zand worden de ouderen ome of tante genoemd. Zo ook ome Jan, ome Ed en ome Cor en ome Ton. De vier mannen, allemaal gepensioneerd behalve ome Jan, zitten op een bankje onder een boom. In de buurt wonen relatief veel 50-plussers, vergeleken met de rest van Amsterdam.

Ome Ed vindt het onterecht dat het Blauwe Zand een slecht imago heeft. „Natuurlijk is er wel eens een vechtpartij of een fik, maar dat heb je overal”, zegt hij.

Dat Blauwe Zanders iets tegen migranten zouden hebben, is onzin, zegt ome Ed. „Ja, tegen de groenteboer zeg ik: ‘Hallo Turk!’ Maar daar bedoel ik niets mee. Dat is een geintje, dat weet hij ook wel. Plus: die man is ook gewoon een Turk.”

Vrachtwagenchauffeur ome Jan kent een Marokkaanse vrouw verderop in de buurt die „heel normaal” is. „Ze zegt altijd gedag, een heel aardig mens.” Daarom corrigeert hij de jeugd als ze migranten uitschelden. „Laatst liepen er drie vrouwen met zwarte hoofddoeken voorbij. Kinderen op straat riepen ze na: Pinguïns! Pinguïns! Toen heb ik ze op hun donder gegeven. Zo praat je niet tegen mensen.”

Yuppen daarentegen zijn wel een probleem, vinden de rasechte dorpelingen. De kern van de kritiek: ze doen niet mee aan de WK-versiering, groeten niemand en laten een heg van 1 meter 80 groeien. Door dat soort gedrag herkent ome Ed zijn eigen buurtje niet meer terug. „De saamhorigheid neemt af. Dat vind ik heel jammer. Het is niet meer zoals vroeger. Toen iedereen bij elkaar in de tuin zat, alle buren op elkaars kinderen letten en de deuren altijd openstonden.”

Is het geen afgunst? Dat die yuppen met hun dure bakfietsen zomaar een samengevoegde woning kunnen kopen terwijl kinderen van dorpelingen steeds moeilijker aan een huurwoning in de buurt kunnen komen? „Met geld heeft het niets te maken”, zegt ome Cor. „Je mag zo rijk zijn als je wilt, als je maar normaal doet.”

Waar komt de onvrede dan vandaan? Waarom kost het de Blauwe Zanders zoveel moeite om de veranderende samenstelling van de samenleving, van hun buurt, te accepteren?

Voedselbank

Blauwe Zanders zullen het niet snel toegeven, maar de meesten hebben moeite de eindjes aan elkaar te knopen, vertelt onderzoeker Saskia Welschen. „De mensen uit deze buurt zijn kwetsbaar. Er is veel verborgen werkloosheid, omdat veel bewoners zzp’er zijn; als je al zes maanden geen opdracht hebt gehad, ben je in feite ook werkloos.”

Bewoners vertellen ons dat er steeds meer Blauwe Zanders in de lange rij voor de Voedselbank in Noord staan, vertelt Welschen. „Ze komen ook steeds vaker terecht in de schuldhulpverlening. En onder de buurtbewoners zijn veel zorgmijders, mensen die uit angst voor een hoge rekening niet meer naar de dokter of de tandarts durven.”

Het arbeidsethos in de buurt is sterk, zegt Welschen. „Maar bewoners vragen zich wel af of ze niet beter af zijn met een uitkering dan met een minimumloon. Dan hebben ze ten minste recht op verschillende regelingen. Nu hebben ze het idee dat ze worden gestraft voor het feit dat ze niet onder aan de ladder zitten.” Daar zou de politiek meer aandacht voor moeten hebben, vindt Welschen „Mensen als Blauwe Zanders zijn nu een vergeten groep.”