Route du silence

Op de snelweg raast het verkeer, in de auto is het stil. Maak in die cocon de soundtrack van uw eigen roadmovie.

Zaten we daar zonet nog tussen? En moeten we daar straks weer in? Dat vraag je je wel eens af als je even halt houdt bij een tankstation op de Autoroute du Soleil. Een stoet van dreunende vrachtwagens, razende personenwagens en ratelende opleggers dendert voorbij. Een spoor van kabaal dat door de vlakte trekt. Na het tanken weet je niet hoe gauw je weer je auto in moet komen. Je trekt het portier dicht, en je bent weer in je eigen stille cel. Je rijdt de snelweg weer op, en dat je vervolgens ook je bijdrage aan het pandemonium levert, komt eigenlijk niet bij je op.

Het is nu stil genoeg voor een muziekje. Of voor filemeldingen, een hoorcollege over de geschiedenis van het heelal. Voor Jan Brokken die voorleest uit zijn laatste boek. Maar liever toch een countrysong. En dan in het ritme van de muziek op je stuur meebonken.

Of, nog beter, op een zonnige buitenweg, terwijl de boomtoppen zich spiegelen in de glimmende motorkap, een fijn stukje filmmuziek. Nino Rota, Ennio Morricone, Angelo Badalamenti, het maakt niet uit. Miles Davis die nog een keer ‘Sur l’Autoroute’ speelt. De trage muziek uit The assassination of Jesse James van Nick Cave en Warren Ellis: heel geschikt. Het landschap krijgt zijn soundtrack, de rit wordt een roadmovie. De automobilist zet zijn zonnebril op en waant zich Marcello Mastroianni.

Het is een merkwaardige speling van het lot dat de auto, door een explosiemotor aangedreven, een van de weinige plekken is geworden waar je in stilte kunt genieten van muziek of een fijn hoorspel. Een privéluistercabine die zich met een snelheid van 120 km per uur verplaatst, te midden van duizenden lotgenoten. De auto als cocon, de cabine als capsule. In Sound and Safe, een recent boek van een viertal Maastrichtse en Tilburgse onderzoekers uit de geluids- en technische wetenschappen, is te lezen hoe dat zo gekomen is. Luisteren is in auto’s altijd belangrijk geweest. Maar tot in de jaren twintig van de vorige eeuw was het vooral belangrijk om naar de auto zelf te luisteren. De eerste automobilisten werd op het hart gedrukt de oren voortdurend gespitst te houden en bij elke vreemde ratel, bonk of tik daarvan de oorzaak op te sporen.

Daar kwam pas verandering in toen de auto-industrie zich ging richten op een breder publiek. Van een experimentele koets met motoraandrijving werd de auto een kamer op wielen. De nieuwe rijders uit de jaren veertig en vijftig hadden wel iets anders aan hun hoofd dan het getik van de nokkenas, sterker nog, ze wilden er niets van horen. Een stil mechaniek werd een teken van betrouwbaarheid. Autotechnici en carrosseriebouwers gingen aan de slag. Ze voorzagen de tandwielen in de versnellingsbak van tanden die niet gierden. Ze stopten dikke lagen vilt tussen het motorcompartiment en de cabine. De uitlaatdemper werd geperfectioneerd. Auto’s werden stiller, al werden bij elke ingreep geluiden hoorbaar die voordien gemaskeerd werden door andere.

Uiteindelijk bleef er een geruststellend gezoem over. De autorit kreeg daarmee een nieuwe betekenis: een filmische ervaring. Autorijden werd ontspannen uitkijken op een voorbijschietend landschap, waarvan je de temperatuur niet voelt en waar de wind niet in je gezicht blaast. Je zit er middenin, en toch blijf je een toeschouwer achter gehard glas.

Toen de auto’s stiller werden kon de autoradio aan zijn opmars beginnen. Symfonieorkesten en nieuwsberichten vulden het interieur. In een Philips-advertentie uit 1936 zit een elegante vrouw achter het stuur. Het is al donker, maar ze luistert naar een violist die een romantische melodie speelt. ‘Alone but never lonely with Philips Autoradio’. De radio hield je wakker en vergezelde je op eenzame reizen, meende Philips. Het is een middel om rustig te blijven te midden van het hectische verkeer, vonden andere fabrikanten.

De auto begon ook zelf te praten. Hij maakt vermanende geluiden als je de gordel niet omdoet. Hij geeft een ping als de benzine bijna op is. Hij loodst je over de Boulevard Périphérique en als je ‘Probeer om te keren’ liever uit een vrouwenmond hoort, kan dat ook.

File

De autoradio kreeg gezelschap van andere afspeelapparatuur en die stelde de automobilist in staat zijn domein nog meer naar zijn eigen voorkeuren in te richten. Nu kun je onbelemmerd luisteren naar hoorcolleges, luisterboeken, podcasts en natuurlijk de complete eigen muziekverzameling die in een klein doosje zit of op een USB-stick past. En als je vastzit in de file in de tunnel van Lyon, als de temperatuur stijgt, de wanhoop groeit en de kinderen op de achterbank zich gaan misdragen, dan kan een stuwend ritme uit de luidsprekers verlichting brengen. Dan beweegt er tenminste iets, al zijn het dan de drumsticks en basgitaren van een onzichtbaar orkest.

De schrijvers van Sound and Safe wijzen op een extra motief om eens een gezellig muziekje op te zetten of contact te zoeken met het nieuws en de weerberichten uit de buitenwereld: geluidsschermen. Veel automobilisten vinden het eng, dat rijden door zo’n met hoge muren afgesloten weg. Alsof je door een goot rijdt. En waar is dat mooie landschap gebleven?

Muziek, Job Cohen die een luisterboek voorleest, desnoods Langs de lijn, is dan een draaglijke manier om de saaiheid te bestrijden. De airco aan, de cruise control op 120 en zo raakt de automobilist achter het getinte glas steeds verder los van de weg.

Het zal niet tot in elke voortrazende luistercabine doordringen, maar terwijl de auto van binnen stiller werd, is het collectief nog oorverdovend. Elke pitstop wijst dat uit. En daarom zijn er geluidsschermen en daardoor is de weg zo saai. En daarom moet Merle Haggard verlichting brengen. White Line Fever / The years keep flying by like the highline poles / The wrinkles in my forehead show the miles I’ve put behind me. Luidkeels meezingen.