Pluizige dino botst met evolutie veren

In Siberië zijn honderden dinobotten opgegraven met sporen van pluis. Deze voorlopers van veren blijken veel algemener onder dinosauriërs dan gedacht.

Reconstructie van de plantenetende dino met een huid die is bedekt met pluis.. Illustratie Andrey Atuchin

Pluis is zo oud als de dinosaurus zelf. De allereerste dinosauriërs liepen misschien al rond in een donskleed, lang voordat er vogels en vogelachtige dinosauriërs waren. Dat scenario is weer iets waarschijnlijker geworden, nu paleontologen fossielen van een Siberische dino hebben opgegraven die bijna volledig bedekt was met pluis (Science, 25 juli).

De onderzoekers hebben honderden beenderen en schedels van het dier in het zuidoosten van Siberië opgegraven, in aardlagen van tussen de 174 en 145 miljoen jaar oud (uit het Jura). De onderzoekers hebben de nieuwe soort Kulindadromeus zabaikalicus gedoopt. Het was een plantenetertje met een lange, geschubde staart.

Wat de fossielen bijzonder maakt, zijn de vele streepjes en krasjes rond de borst, rug en kop van het dier. Volgens de onderzoekers zijn het draadachtige filamenten die het lichaam van de dino bedekten. Op de kop was het pluis dun, kort en warrig, op de bovenarmen dik, lang en recht. Het armdons bestaat uit plukjes van zes tot zeven draden die op één plek in de huid ontspruiten.

Het pluis is onvertakt. Volgens de paleontologen is dit het eerste stadium in de evolutie van veren. De plukjes hebben veel weg van de vacht van moderne zijdehoenderen, schrijven de onderzoekers.

Paleontologen dachten lang dat veren een uitvinding waren van de Saurischia (‘hagedisheupigen’), de groep waartoe vogels en vogelachtige dinosauriërs behoren. Maar de Siberische dino hoort thuis in een compleet andere tak van de dinostamboom: die van de Ornitischia (‘vogelheupigen’, verwarrend genoeg). Dat waren gesnavelde planteneters, zoals de gehoornde Triceratops en de gestekelde Stegosaurus.

Nu in allebei de hoofdgroepen pluissporen zijn gevonden, lijkt het aannemelijk dat hun gemeenschappelijke voorouder ook al dons droeg. Deze stamvader van alle dinosauriërs moet ongeveer 230 miljoen jaar geleden hebben geleefd, in het Trias.

De Siberische dinosaurus is de derde donzige Ornitischia-dino die gevonden is. „Het wordt steeds moeilijker om dit af te schrijven als toevalsvondsten”, zegt paleontoloog Dave Hone, die niet bij het onderzoek betrokken was. Hone benadrukt wel dat nog niet is aangetoond dat het pluis van Saurischia en Ornithischia dezelfde evolutionaire oorsprong hebben – misschien ontstond dons twee keer.

Het is dan ook te vroeg om alle dino’s van een laagje dons te voorzien. En de werkelijk reusachtige dieren, zoals de 90 ton zware langnekdino’s, zouden er toch niets aan hebben. Die genereerden genoeg warmte van zichzelf.