Mysterie

Tragisch misverstand: Alexandr Vinokoerov stak zijn duim op na vierde etappewinst van Vincenzo Nibali in de Pyreneeën. Drie weken lang had ik mezelf wijsgemaakt dat Astana een bergriviertje was in Toscane, inclusief een soort Efteling. Aan Kazachstan wou ik niet denken, aan Vinokoerov ook niet.

Een geweten bestaat vooral uit verdwijntrucs.

Er was de uitstraling van Nibali zelf. Een gezicht zonder reliëf, niets van gebergte, geen streep steppe, zelfs geen oorlogsjaren. Siciliaan van adem en flair. Overigens doen identiteit en biotoop er weinig toe. Renners zijn zelf het landschap, de fiets als ziel. En je mag het mysterie niet helemaal willen ontrafelen. Tot vandaag weet niemand wie de alom geliefde Joop Zoetemelk is. We kennen zijn tics, zijn taal van gehakt stro, zijn inherente verlegenheid. In de beeldvorming ook nog gespeend van elk ideaal, terwijl juist hij zich vandaag misschien een Palestijn voelt.

Post, Raas, Knetemann… zouden ze ooit wel hoogte van zichzelf hebben gekregen?

Als manager van Astana had Vinokoerov zijn eigen onzichtbaarheid moeten creëren. Niet alleen uit schaamte voor zijn verleden, vooral uit respect voor zijn poulain Nibali. De Italiaan heeft niet één modderspatje op zijn blazoen. Hij was nooit verdacht van doping, wordt door niemand gezien als etter van het peloton. Wraaklust met losse handjes à la Hinault zit niet in het pakket van Vincenzo. Het mag hem dan aan charisma ontbreken, hij blijft altijd beschaafd. In de koers en voor de camera.

Timide zelfs.

In deze onthoofde Tour declasseerde hij de tegenstand. Zijn voorsprong in het eindklassement is vooroorlogs. In de Alpen en de Pyreneeën demonstreerde hij bovendien aangeboren sierlijkheid. Bijna vlinderend de Izoard en de Tourmalet op. De eerste Tourwinnaar in jaren die het epos volbracht zonder zichtbare sporen van afzien en ontbering. Leed gekapseisd op talent.

Ook daarom is Nibali niet alleen de verdiende winnaar, hij is een winnaar die groots uitpakte. In wisselende decors en wispelturig weer. Nog net niet Merckxiaans, maar wel in de stijl van de grote Ronderenners. Hij serveerde onvermoeibaar spektakel.

Het is al met al een boeiende Tour geworden. Meer door de strijd om de ereplaatsen dan om de gele trui. Ik heb weinig vlagen van heimwee naar Alberto Contador of Christophe Froome gekend. Er werd geschreven dat Bauke Mollema en Laurens ten Dam niet het niveau van vorig jaar haalden. De idylle van de tweeling liep inderdaad schaafwonden op, maar in temperament en koersplezier zorgde vooral Ten Dam voor aandoenlijke beelden. Overigens was Belkin over de hele breedte een aangename verrassing. Er is sprake van opflakkerende koersliefde in de polder, met dank aan Bau en Lau, aan Boom en Kruiswijk. Onbegrijpelijk dat nog steeds geen rassprinter zich heeft gemeld.

De Tour is andermaal uit zijn aders gesprongen. De hectiek is niet langer vol te houden. Start en aankomst zijn proppen van blik en uitlaatgassen. Gestapelde chaos. In de bergen ontstaat onverminderd een orgie van handtastelijkheden. De renners smeken om dranghekken, maar vinden geen gehoor bij de Tourbazen. De eerste ritten in Engeland waren ook al zo’n horror van parmantige massale verdwazing. Zelfs de neushaartjes van André Greipel werden door het dolenthousiaste publiek niet ontzien.

Ik keek murw geslagen tegen de suïcidale tolerantie aan waarmee Tourrenners de schendingen van hun privacy doorstaan. Ron Vlaar had op weg naar de startplaats in Besançon 37 elleboogstoten uitgedeeld. Het incasseringsvermogen van wielrenners aan de rand van terminale zelfverloochening blijft voor mij het grootste mysterie.

De afgelopen weken begon ik steeds meer van Fré Meis te houden.