Column

Kut-douchegordijn

Na een week waarin dagelijks een rouwstoet van lijkwagens door het land trok, stelde ik mezelf steeds meer vragen. Wie waren die mensen in campingkleren op die viaducten en langs de wegen die alles filmden met hun mobiele telefoons? Waarom heette dat respect betuigen? Wat bezielde de organisatoren van stille tochten en waarom sponsorde SBS de organisatie van de tocht in Amsterdam? En waarom waren er zo veel mensen opeens zo trots op Nederland dat ze berichten uit buitenlandse media verspreidden waarin dan weer stond hoe eensgezind en bijzonder wij waren, een klein land waar de rest van de wereld best een voorbeeld aan mocht nemen, #trots?

In een warenhuis in Arnhem viel ik van mijn wolk.

Ik was daar omdat mijn moeder me de opdracht had gegeven om er een strijkplank te halen, haar strijkplank was op raadselachtige wijze ‘kwijtgeraakt’. Ik had mezelf afgeleerd te vragen hoe zoiets kon.

Achter de kassa een meisje van begin twintig, zwart geverfd haar, een neusringetje.

Een man en een vrouw gooiden een pak op de toonbank, waarin een douchegordijn zat.

Woest, waren ze.

Op dat douchegordijn, op het meisje dat nog niets fouts gedaan had, op zichzelf omdat ze zo stom waren geweest om hier een douchegordijn te kopen en op iedereen die ze verder voor de voeten kwam.

Het kassameisje: „U wilt ruilen?”

De man: „Echt-niet, geld terug.”

Ze vroeg wat er mis was met het product.

„Waar moet ik beginnen?”, vroeg de man zich hardop af. „Erg veel klopt er gewoon niet van.”

Zijn vrouw, wat meer to the point: „Het is gewoon een kut-douchegordijn.”

De verkoopster besloot niet verder de diepte in te gaan en vroeg naar de kassabon. „Bewaar jij het bonnetje als je een douchegordijn koopt?”, vroeg de man.

De verkoopster, keek de winkel in, zoekend naar de filiaalhouder die er niet was.

„Mijn collega is er even niet.”

De man: „Daar heb ik geen boodschap aan.”

Het eindigde met geschreeuw over een kut-douchegordijn – merk Handy, prijs 9,95 euro – een bijna huilende caissière die er ook niets aan kon doen dat ze naar bonnetjes moest vragen en een sliert mopperende wachtenden die ook niet alle tijd hadden.

Daar stond ik dan, met die strijkplank.

De gedachte dat deze mensen – misschien wel schouder aan schouder – hadden staan herdenken kwam in me op. Heel even maar. Ik moest als ik aan de beurt was wel vragen om een bonnetje, de kans bestond dat het een kut-strijkplank was.