Je verleden is net zo vloeibaar als je toekomst

Beiden verdiepen zich in het geheugen: actrice en schrijver Tosca Niterink in het boek over haar demente moeder; hoogleraar psychologie Douwe Draaisma in bijna al zijn werk. Ze spreken elkaar een zomeravond lang over dingen die verloren gaan, en wat er overblijft.

‘Het is hier net slot Bommelstein,” zegt Tosca Niterink wanneer ze het monumentale huis van landgoed Duin en Kruidberg in Santpoort-Noord binnenstapt. De actrice (Theo & Thea, Kreatief met Kurk) legt zich tegenwoordig meer toe op schrijven en publiceerde net een schrijnend komisch boek over haar 87-jarige demente moeder in een verzorgingshuis, De vergeetclub. Ze is hier om hoogleraar psychologie Douwe Draaisma te ontmoeten, bekend van zijn boeken over het geheugen, zoals Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2003).

„In zekere zin zijn we elkaars tegendeel”, zegt Draaisma even later als ze allebei aan het bier zitten. „Jij laat heel mooi je observaties het werk doen, terwijl in mijn boeken de persoonlijke dingen, wat het voor mensen betekent om vergeetachtig te zijn, opgehangen zitten in theorieën en experimenten.”

Ter voorbereiding op het gesprek las Niterink Vergeetboek (2010), waarin Draaisma wetenschappelijke theorieën over en onderzoek naar vergeten bespreekt. Draaisma las De vergeetclub, over Niterinks demente moeder.

Draaisma’s vader, die een jaar of tien geleden overleed, leed ook aan Alzheimer. „Maar zelfs al zijn je beide ouders dement”, zegt Draaisma optimistisch, „dan nog heb je een betrekkelijk kleine kans om het zelf te worden.” Niterink is niet overtuigd. Ze heeft gelezen dat de helft van de 85-plussers straks dement is. „En mijn moeder en ik zijn allebei een bepaald type mens, een beetje warrig...”

Ze vertelt hoe afschuwelijk het in het begin was, met haar moeder. Hoe snel die in het begin achteruitging. „Ik weet niet of je dat met je vader hebt meegemaakt?”

„Wat ik voor hem moeilijk vond”, zegt Draaisma, „was de fase dat hij het begon te merken. Dat iemand nog weet: dit hoor ik te weten. Heel vernederend voor die persoon. Mensen onderschatten trouwens hoeveel infrastructuur er rond een dement iemand nodig is. Om die te kunnen verzorgen. Dat past gewoon niet in moderne gezinnen, levens, carrières...”

„Nee”, zegt Niterink. „Daar werd ik ook zo kwaad over toen ik met mijn boek bij Pauw & Witteman zat. Op – hoe heet die man? – Diederik Samsom. Die zei: dan moet er maar wat meer mantelzorg komen van buren en familie. Dan wil ik tegen de buren van Diederik Samsom zeggen: als jij straks dement wordt heb je er récht op dat Diederik Samsom een paar dagen in de week vrij neemt om voor je te zorgen. Het is niet even boodschappen doen, je moet er de hele tijd bij zitten. Het is heel gevaarlijk. Mijn moeder viel, ze vergat de hele tijd haar sleutel, ál haar jassen waren weg – die hingen allemaal bij de kapper. Ze vergat ook steeds wanneer ze bij de kapper was geweest, dus haar haar werd ook steeds korter.”

Eén verpleegster voor de poepluiers

Niterink was onlangs voor een denktank gevraagd om te brainstormen over huisvesting van demente mensen. „En daar zat ex-minister Winsemius ook bij. Ja joh, echt! En een grote organisatie die bouwt, voor bejaarden. Ze zijn onwijs bezorgd omdat er een enorme dementiegolf aan zit te komen. We hebben te weinig mensen straks, als ik dement ben, om die allemaal te verzorgen.”

Zelf zag ze haar moeder enorm vooruitgaan, vertelt ze, toen die van een grootschalige naar een kleinschalige opvang ging. „Eerst zaten er dertig mensen bij elkaar, liep er één verpleegster met latex handschoenen poepluiers te verschonen, en aten ze van de gaarkeuken. En nu zit ze in een huiselijke sfeer met acht mensen die bewust bij elkaar zijn gekozen en een zuster als een soort moeder. Toen ging het veel beter met mijn moeder en met al die vrouwen. Maar het is een tijdelijke opvang. Over een jaar gaat ze weer terug naar het grote huis, dan zitten ze boven, kunnen ze niet naar buiten... Dan denk ik: waarom houden ze daar geen rekening mee?”

Draaisma: „Mijn vader zat ook in zo’n huiskamersetting. Mijn impressie is wel dat mannen het daar moeilijker hebben dan vrouwen. Ik had zo te doen met die ene man die in jouw verhaal voorkomt, die majoor. Dat vond ik de mooiste passage uit het hele boek, op pagina 102”, zegt hij uit zijn hoofd. Hij pakt het boek uit zijn rugzak.

Niterink: „Ach, wat lief!”

Draaisma leest voor: „‘Ik herken in zijn ogen de wanhoop en ontworteling van „de nieuwe bewoner” die nog aan het „wennen” is, zoals ze dat hier noemen. Daarmee bedoelen ze de traumatische periode dat de nieuwe bewoner zich nog realiseert in welke uitzichtloze situatie hij is beland. Deze nachtmerrie duurt totdat er bij de persoon in kwestie iets knapt (geestelijk en vaak ook lichamelijk) en hij bij god niet weet waaráán hij ook alweer moest wennen. Doorgaans gebeurt dat binnen twee weken. „Pa is gelukkig weer een beetje rustig”, zegt de familie dan. „Hij is in die anderhalve week dat hij hier zit wel enorm achteruitgegaan.”’ Práchtig!” >>

>> Niterink: „Ja, zo ervaar ik het. Dat is met mijn moeder ook gebeurd hoor, binnen twee weken wist ze van toeten noch blazen meer. Dat is zo traumatisch geweest.”

Sinds 1906 bijna niets veranderd

„Bij dit alles bedenk je dan ook”, zegt Draaisma, met een beetje een collegestem, „dat de eerste Alzheimerpatiënt werd beschreven in 1906, door Alois Alzheimer. Als iemand nu de diagnose alzheimer krijgt, is dat precies dezelfde diagnose als in 1906. Wat veranderd is, is de wereld om de patiënt heen: de huiskamers, dat mensen niet meer vastgebonden hoeven te worden. Maar verder is tussen 1906 en nu aan de prognose voor een alzheimerpatiënt echt helemaal niets veranderd. Ondanks een lange deprimerende lijst medische ‘doorbraken’: dertig jaar geleden kwam Alzheimer door het aluminium in de pannen, ze hebben een tijdje gedacht dat het lag aan het amalgaam in de kiezen... Bij een volgende doorbraak is de kans dus groot dat het weer vals alarm blijkt.”

„En over tien jaar is het aantal Alzheimerpatiënten verdubbeld”, vult Niterink aan. „En ze zijn enorm aan het bezuinigen in de zorg. Ik volg het niet meer omdat ik er te boos over word. En wel allemaal geld uitgeven aan wapens, dat vind ik dan flauwekul.”

Draaisma: „Ik vind ook dat er wat dat betreft slecht voor ons gezorgd wordt. Ook door de Partij van de Arbeid. Ik ben een habituele Partij van de Arbeid-stemmer, maar daar houd ik mee op.”

Niterink: „Ja, toch.”

Draaisma: „Een tijdje terug hoorde ik staatssecretaris Van Rijn, van Volksgezondheid, en ik dacht: typisch zo’n VVD’er. En toen hoorde ik tot mijn schrik dat hij Partij van de Arbeid-staatssecretaris is. Onder het mom van participeren en zelfredzaamheid steken ze bezuinigingsverhalen af – die huichelachtigheid, dat apprecieer ik niet. En trouwens, dat idee dat demente ouders vroeger door kinderen in huis werden genomen... dat heeft in de westerse wereld eigenlijk nooit zo bestaan. Dat is een mythe.”

Draaisma heeft wel zijn zoon (30) en dochter (35) dichtbij wonen, vertelt hij. „Die gaan de participatiemaatschappij nog voelen!” Hij woont al tientallen jaren in Groningen met zijn vrouw, zijn „high school sweetheart”, zegt hij. „Ja, als je achttien bent, heb je nog heel veel speling in je leven. Het hangt er maar vanaf wie je tegenkomt, welke kant een gesprek uitgaat, wat je wilt studeren. En nu ben ik zestig, en die speling is verdwenen. De laatste twintig jaar heb ik nauwelijks nieuwe vrienden gemaakt, ik woon al vijfentwintig jaar in hetzelfde huis, ik doe al vijfendertig jaar hetzelfde werk. Er komt een ander soort speling voor in de plaats, namelijk dat je niet weet vanuit welke kant zometeen het gebrek aan komt snellen. Waar ga je het eerst aan lijden, gaan je ogen achteruit, krijg je loopproblemen?”

Acteurs zijn de echte mensenkenners

„Ja, ben je daar nu al mee bezig?”, vraagt Niterink.

Draaisma: „Ik vind dit wel een leeftijd waarop je je een beetje belaagd voelt. Ik heb aanleg voor rugpijn, vorig jaar viel ik van de fiets en gelijk is dan je been gebroken... Je denkt dat ouder worden een beetje gelijkmatig gaat. Maar dat is niet zo. Je blijft soms wel zes jaar dezelfde leeftijd en dan opeens in drie jaar word je ineens voor je gevoel wel tien jaar ouder.”

Het gesprek komt op school. Draaisma was een dagdromer, vertelt hij. „Op de middelbare school ben ik twee keer blijven zitten en ik was ook al een jaar langer op de kleuterschool gebleven. Mij werd altijd verteld, door de juf, dat zij me graag nog wat langer bij zich wilde houden. En niet om cute te doen, maar dat heb ik geloofd tot ik volwassen was.”

Niterink: „Wat héérlijk om dat te geloven!”

„Na al dat zittenblijven wilde ik toch wat tempo maken”, vervolgt Draaisma, „dus vijf en zes athenaeum heb ik schriftelijk gedaan en dat dan in één jaar.”

Niterink zet een strenge juffenstem op: „Dus je kón het wel!”

Draaisma lacht: „Ja, dat zeiden mijn ouders ook. En daarna vond ik op de universiteit een soort bedding. Jij hebt een dubbel talent, maar ik heb heel overzichtelijk één talent.”

Niterink: „Psychologie?”

Draaisma: „Psychologie, en dan erover schrijven.”

Niterink: „Ik dacht altijd: als ik van de Kleinkunstacademie afkom en op mijn dertigste lukt het niet, dan ga ik psychologie studeren. Ook voor acteren is dat interessant. Mensen vinden zichzelf allemaal best normaal, terwijl: iedereen kijkt vanuit zijn eigen perspectief. Ik heb zelf wel in groepstherapie gezeten en ik had altijd goed inzicht in de mensen om me heen, ik kon vrij snel inschatten...” Ze stopt. „Nee, dat is een beetje stom om van jezelf te zeggen.”

Draaisma: „Nee, nee, ik begrijp precies wat je bedoelt – dat is precies het contrast met psychologen. Psychologen hebben de reputatie dat ze een soort bevoorrechte toegang tot het innerlijk van anderen hebben, maar in werkelijkheid hebben acteurs en actrices dat. Ik zou veel benauwder zijn om door een acteur of actrice te worden bekeken dan door een collega-psycholoog. Dat komt doordat zij het moeten hebben van kijken naar lichaamstaal, naar mimiek, tussen de regels door luisteren, etcetera. Als je daar talent voor hebt doe je veel meer mensenkennis op dan wat je ook uit boekjes maar kunt leren.”

Niterink: „Maar het is misschien gewoon een manier waarop je naar de wereld kijkt. Ik vind dat leuk, ik doe dat altijd.”

Draaisma: „Dat ligt ook ten grondslag aan jouw schrijven. Mijn werk is echt non-fictie, hoe zou jij jouw werk karakteriseren?”

Niterink, aarzelend: „Het zit er eigenlijk een beetje tussenin. Ik heb voor De vergeetclub ook wel wat verzonnen...”

Draaisma, lachend: „Ja, ik wil wel geloven dat je in zo’n tehuis een Mien Abdoellah hebt, maar dan ook nog een An Taliban...”

Niterink: „Ja, nee, dat was een geintje! Maar eigenlijk is het allemaal echt gebeurd, ook van die man bij wie het ondergebit aan zijn tong bleef hangen. Het is alleen een beetje ingedikt. Maar ik had af en toe wél het idee dat ik voor Kreatief met Kurk aan het schrijven was. Pieter Kramer, de regisseur van Kreatief met Kurk, wil het heel graag doen.” Wacht, heeft ze de tv-rechten van De vergeetclub verkocht? „Ja, en de hoorspelrechten. Aan iemand anders.” Ze wuift zichzelf koelte toe met haar servet.

Een negen voor zingen

Hoe is ze eigenlijk op de Kleinkunstacademie terechtgekomen? Niterink: „Op de lagere school maakte ik al toneelstukken. Ik keek graag naar Lucille Ball, ’t Schaep met de Vijf Poten, Ja Zuster Nee Zuster...” Maar ze verprutste haar toelatingsexamen voor de toneelschool: „Als ik me niet op mijn gemak voel sla ik dicht. Op de eerste rij konden ze me niet eens verstaan.” Een vriend van haar deed toelating op de Kleinkunstacademie. „Hij durfde niet alleen, toen heb ik ook een liedje ingestudeerd. Zo’n sfeer als je nu hebt bij Idols. En elke keer was het discutabel of ik nou door mocht naar de volgende ronde. Bij de eindauditie vonden ze me ook niks, maar ik was de enige om wie ze gelachen hadden.”

Zo ging het altijd, zegt Niterink. „De een vond me heel leuk en de ander vond er echt helemaal niks aan. Op de lagere school al. Ik moest een keer een liedje zingen in >> >> de vierde. Toen zei de juf na afloop: ‘Nou, kinderen, daar mogen jullie wel even voor klappen!’ Kreeg ik een negen voor zingen. Ik werd het hele jaar een beetje opgehemeld, ik schaamde me er zelfs een beetje voor, en toen kwam ik het jaar daarop in de vijfde klas en moest ik weer een liedje zingen. Zei die onderwijzer: ‘Zie je wel, niks bijzonders, een zes’. Alsof ik het zelf verzonnen had!”

Ze heeft de Kleinkunstacademie niet afgemaakt. „Ik heb drie jaar in de propedeuse gezeten en mijn eindexamen niet gehaald. Ze begonnen heel hoge solfège-eisen te stellen, muziektheorie. Moest ik nog aan denken toen ik jouw boek las, Douwe, over geheugensteuntjes. Die intervallen leren! Ik had uitgevonden, een grote terts, tám-tam, dat is het geluid van de metrodeur als-ie dichtgaat. Maar het was voor mij gewoon té saai om het allemaal te onthouden.”

Verhalen werden altijd seks

Draaisma speelde als jongen graag gitaar, geeft hij nu verlegen toe. „Maar ik heb een scherp oog voor gebrek aan talent, bij mezelf. Ik vond het wel heel leuk, ja, ik was graag gitaarheld geworden, of etser... Nee, dat heb ik nog nooit gedaan, maar een goede vriend van mij, Reinder Homan, gaat er helemaal in op. En je doet het in je eentje, je kunt niemand de schuld geven als het niet goed gaat. Ik vind het fijn om iets te hebben waarin je eigen baas bent.”

Niterink: „Heb jij eigenlijk bepaalde artikelen geschreven die door de wetenschap serieus worden genomen, zeg maar?”

Draaisma: „Ja, ook wel, maar mijn niche is dingen over het geheugen zo beschrijven dat mensen zich erin herkennen.”

In boeken, niet in peer reviewed wetenschappelijke artikelen. „De APA, de Amerikaanse vakvereniging van psychologen, heeft een vuistdik boek uitgebracht over hoe je een wetenschappelijk artikel moet schrijven. Eén regel is: geen metaforen. Dan staat er: ‘door metaforen worden mensen een donker bos ingelokt, waarin ze verdwalen’.” Hij lacht hartelijk. „Nou, als ik geen metaforen zou mogen gebruiken, vervalt een groot deel van mijn repertoire. Ik wil graag een beetje literair schrijven.”

Wil hij niet nog eens een roman schrijven? Stellig: „Nee. Ik heb een of twee keer een verhaal geschreven en dat liep binnen de kortste keren uit op seks. Ik kan geen twee personages introduceren zonder dat ze het met elkaar gaan doen.”

Niterink: „Maakt het uit! Dat moet je juist van je afschrijven.”

Draaisma: „Nee, ik heb echt een onderwerp nodig.”

Niterink: „Seks is toch ook een onderwerp?”

Draaisma: „Ja, maar er gaapt een kloof tussen fictie en non-fictie. Jij noemt je werk wel non-fictie, maar...”

Niterink, dromerig: „Ik zou wel een trilogie willen schrijven, over wat ik me herinner van de verhalen van mijn oma tot aan nu toe, drie generaties. Dat je helemaal met de geschiedenis meegaat. Lijkt me heerlijk. Ik ben al een beetje begonnen. Het begint in 1895. Toen is mijn oma geboren.”

Draaisma: „Jeetje! Daar ben ik wel nieuwsgierig naar.”

Niterink: „Ja, ik ook. Het is nog lang niet klaar. Weet je, het is ook wat Douwe zegt, dat hij zo graag wil etsen omdat je dat zo lekker in je eentje kan doen – dat is met schrijven ook. Ik heb altijd acteer- en tv-dingen gedaan die heel ingewikkeld tot stand kwamen, waar veel mensen voor nodig zijn... Met schrijven heb je lekker met niemand wat te maken. Ik ben nu weer voor een toneelstuk aan het repeteren. Heel ingewikkeld, maar ook heel leuk: een driedimensionaal stuk over een duikboot die verongelukt, dus mensen moeten in de zaal ook zo’n bril op. En ik ben duikbootkapitein. Maar dat is me toch ingewikkeld! Ik kan geen stap zetten of het klopt niet meer.”

Avond aan avond dat geklap

Vroeger, vertelt Niterink, dacht ze dat ze heel graag actrice wilde zijn. „Maar ik pas niet goed in die wereld. Je moet altijd slijmen om in een of ander stuk te komen... Ik wil gewoon mijn eigen dingen kunnen doen, niet een soort hondje zijn dat de hele dag loopt te kwispelstaarten. Ik vind avond aan avond dat geklap ook een beetje gênant.”

„Vroeger, bij Theo & Thea”, vertelt ze, „had ik het gevoel dat niemand meer durfde te zeggen: ik vind er eigenlijk geen reet aan. En toen kwamen we met een theatervoorstelling en was het ineens weer: ‘nou moeten ze niet denken dat ze ook theater kunnen maken’. Dan denk ik: doe eens een keer normaal. Dan komt het ook niet zo hard aan en ga je ook niet naast je schoenen lopen.”

Draaisma heeft daar weinig mee te maken. „Hooguit weleens complimentjes als ‘mijn vrouw heeft al uw boekjes gelezen’.”

Niterink: „Nu ik hier zit voel ik me ook een ontzettende aanstelster, zo naast Douwe. Dan ben ik ineens zo de artiest, of zo. Terwijl ik eigenlijk een enorme kluizenaar ben.”

Werken is de leukste vakantie

Draaisma vertelt over zijn ideale vakantie, meestal naar Texel met zijn vrouw: „Vakantie is voor mij in een ander ritme glijden. Ik vind het heerlijk om rond een uur of zeven op te staan en dan lekker te gaan lezen, of werken. Een dossier samenstellen over een onderwerp en daar dan op mijn gemak twee weken mee bezig zijn.”

En wat is het verschil met niet op vakantie zijn? Hij lacht. „Ja, dat is precies hetzelfde ritme. Eigenlijk zit er bedroevend weinig variatie in mijn leven.”

Niterink: „Maar dan zit je wél op Texel.”

Draaisma werkt aan een nieuw boek, vertelt hij. „Het moet gaan over wat er met herinneringen kan gebeuren als gevolg van iets wat er verderop in je leven gebeurt. Dat kan van alles zijn: bedrog, nieuwe informatie over iets uit je jeugd, vaderschapskwesties... Neem dat tv-programma, DNA Onbekend. Die mensen hebben aanvankelijk twee levensverhalen: dat ze wél het kind zijn van wie ze altijd dachten dat het hun vader was, en dat dat niet zo is. Het fascinerende vind ik dat hun herinneringen per verhaal van gedaante veranderen. Het autobiografisch geheugen is heel gevoelig voor andere interpretaties. Eigenlijk is je verleden net zo vloeibaar als je toekomst.”

Het boek moet eind volgend jaar uitkomen, vertelt hij.

Niterink heeft even niet zitten luisteren. „En waar gaat het over?” haakt ze beleefd weer in. Draaisma legt het geduldig nog een keer uit.

Mijn moeder als kleuter

Het gesprek komt op de verschillende herinneringen die je in de loop van het leven aan je jeugd en je ouders hebt gehad. Niterink, over haar moeder: „Mensen zeggen weleens: je hebt zeker een heel leuke band met haar gehad. Nou dat is helemaal niet zo. Het is heel lang niet makkelijk geweest tussen ons. Het is juist heel helend dat ze nu is zoals ze is. Ik hoor hetzelfde van kinderen van andere dames daar, die zijn ook heel dankbaar voor een periode waarin hun moeder veel benaderbaarder is, waarin ze haar veel beter snappen. Dat alle poespas weg is. Mijn moeder laat nu als een klein kind, als een diertje, zien wat ze voelt. Ze is ineens een kleuter geworden waar je gewoon van kunt houden.”

Niterink zat op een katholieke lagere school, vertelt ze. „Hier in Bloemendaal”, wuift ze naar vlakbij. „En toen heb ik me opgegeven als misdienaar. Misdienette.” >> >> Haar moeder en stiefvader – haar biologische vader overleed toen ze vier was – waren niet gelovig. „Die kwamen niet eens kijken als ik in de kerk stond. Maar ik vond dat heel mooi, zo’n pij. En onder de les had je kans dat de pastoor je kwam ophalen als er iemand dood was – en er woonden héél veel oude mensen in Bloemendaal. Dan mocht je met zo’n wierookbal voor die kist uit lopen. Maar ik ben weggestuurd toen mijn broer een keer moest invallen voor iemand anders, hij had het nog nooit gedaan. En die pastoor zei steeds in de microfoon: ‘lichaam van Christussss’, met zo’n fluitje in zijn stem. We hebben in ons broek zitten pissen van de lach. Nou, toen hoefde ik dus nooit meer terug te komen.”

Nee, ik ga hier niet over uitweiden

Draaisma: „Maar je bent wel religieus geworden?”

Niterink: „Nou, religieus... Ik ben wel ‘spiritueel bewust’.”

Bewust, waarvan dan? „Nee, dat ga ik nou zo niet uitleggen en ik heb ook geen zin om daar heel veel over te vertellen. Maar zeg maar dat ik aan meditatie doe.” Ze is even stil. Dan: „Die belangstelling had ik al toen ik heel jong was, daar ben ik gewoon in geïnteresseerd, in het boeddhisme.”

In levensvragen als ‘waarom zijn we hier’? Niterink: „Ja, dat heb ik me van jongs af aan altijd afgevraagd. Wat is er achter de sterren, wanneer houdt het op, waarom ben ik hier, álles. Ik denk daar veel over na en als je er veel over nadenkt krijg je een soort spiritueel bewustzijn en dan ga je antwoorden vinden in het gánse leven om je heen.” Stellig: „Maar ik ga er niet over uitweiden en ik ga er ook niet over in discussie.”

De volgende ochtend kunnen we buiten ontbijten, zo zonnig is het. Niterink neemt fruit, Draaisma eet het broodje kaas dat hij bij het buffet heeft gesmeerd lopend op. Hij wil nog graag vertellen hoe hij op het idee voor zijn nieuwe boek kwam.

„Toen Marten Toonder 75 was, oefenden mensen druk op hem uit om een autobiografie te schrijven. Waar te beginnen, dacht hij, wat opnemen, wat niet? En dan schrijft hij, in een brief aan Dick Matena, de zin: ‘Wat in je jeugd gebeurd is, is dikwijls het gevolg van een voorval op latere leeftijd.’ Dat vangt zó precies hoe ik denk over de invloed op herinneringen van dingen die later gebeuren. Dus daar hoop ik het boek bij te schrijven. Iedereen die ouder wordt zal merken dat herinneringen er nu anders bij liggen dan toen hij of zij twintig was.” Hij gaat er straks op Texel mee aan de slag.

De stroompjes van de Ganges

Niterink daarentegen vertrekt in november met haar vriendin Anita voor drie maanden naar India, naar de Ganges. „Een heel vieze rivier”, zegt ze, „ik ben er ook weleens in geweest. Ze gooien de as van verbrande lijken erin en even verderop staan mensen met dat water hun tanden te poetsen. Waar de Ganges ontspringt, in de Himalaya, gaan we een bootje kopen en dan zakken we naar beneden af. Het is natuurlijk altijd wel vrij onduidelijk waar een rivier precies ontspringt. Die komt uit allerlei stroompjes bij elkaar. We beginnen waar het een beetje breed wordt, zeg maar.”

Draaisma: „Dat is een mooie metafoor voor hoe een identiteit tot stand komt: ook allemaal stroompjes waarvan je nooit kunt zeggen: dit of dat is de bron, maar uiteindelijk vormt het wel zoiets als één identiteit.”

Niterink: „Eén geheugen.”

Ze vertelt over de manier waarop boeddhisten tegen het geheugen aankijken. En tegen dementie: „Als een apparaat dat stukgaat. Je televisie gaat stuk, maar de voetbalwedstrijd is er nog. Maar de voetbalwedstrijd zit niet in de tv, die bevindt zich in een wereld erachter, begrijp je, de gedachtenwereld.” Die is eeuwig, volgens het boeddhisme.

Niterink wijst naar het keurig onderhouden landgoed: „Dit gaat állemaal weg. Eigenlijk is het geheugen het enige dat niet verdwijnt.”

Draaisma klapt zich op de knieën. „Nou, we zijn eruit, jongens”, zegt hij. „Zullen we dan maar samen een boek schrijven?” <<