‘Je moet virussen pijlsnel aanpakken’

Het barst van nieuwe virussen en ziekten. ‘Wil je een pandemie voorkomen dan moet jequick on the ball zijn’, zegt de bekende viroloog. Hij stopt in Rotterdam en probeert de mens nu vanuit Hannover en Utrecht te beschermen.

Ab Osterhaus (66): „Hoe lang ik nog doorwerk? Geen idee. Ik denk dat ik nog een goede bijdrage kan leveren.” Foto Robin Utrecht

Ab Osterhaus (66) is niet langer de baas van de afdeling met ruim 100 virusonderzoekers van het Erasmus MC, waar hij een Bekende Nederlander werd. Bij vogelpest, SARS, vogelgriep of Mexicaanse griep, steeds verscheen Osterhaus op tv om uit te leggen of het gevaarlijk was. „Wat is de gevaarlijkste plek op aarde als er een grieppandemie uitbreekt?” Zo begint de virologengrap over Osterhaus en de media. Zijn opvolger Marion Koopmans vertelde hem nog eens op Osterhaus’ afscheidssymposium begin deze maand. „Het is de plek tussen Ab en de tv-camera.”

De interviewafspraak is om acht uur ’s morgens, in zijn voormalige werkkamer op de 17de verdieping van de onderzoeksflat van het Erasmus MC. We zijn er de eersten. „Vroeg hè?” Vindt hij toch ook. We zitten in zijn oude kamer, met weliswaar nog een bureau, computer en stoelen, maar de voor Osterhaus kenmerkende rijen boeken, stapels papieren, foto’s en andere trofeeën zijn weg. Hij gaat weliswaar met pensioen, maar blijft een dag in de week in Rotterdam werken.

Voor een wetenschapper die dit jaar alweer mede-auteur is van 40 artikelen lokt het niet om wegens pensionering uit het virusonderzoek te stappen. Dat doet Osterhaus niet. Hij begint opnieuw.

Vorig jaar werd hij hoogleraar aan de Tierärztliche Hochschule in Hannover. Daar bouwt hij mee aan een nieuw instituut voor neuro-infectiologie. En hij werkt op het lab van Artemis One Health, een Europees onderzoeksinstituut dat de gezondheid van in het wild levende dieren, huisdieren en mensen in hun samenhang bestudeert. Het gaat er vooral om infectieziekten. Het lab van Artemis staat op de Utrechtse Uithof. Er zijn grote EU-subsidies binnengehaald waarin Rotterdam, Hannover en Utrecht samenwerken.

In de viruswereld is altijd werk zat. In China maakt een H7N9-vogelgriepvirus al voor het tweede jaar mensen ziek. Op het Arabisch schiereiland zijn al bijna 300 mensen overleden aan een infectie met MERS, een coronavirus dat uit vleermuizen stamt en waarschijnlijk via dromedarissen naar de mens is overgesprongen. De eerste mens-op-mens-besmettingen zijn bekend. Het virus werd in Rotterdam geïdentificeerd. Het is na SARS het tweede coronavirus dat een fors deel van de besmette mensen doodt.

Het barst niet alleen van de nieuwe virussen en ziekten, maar ook van nieuwe, snelle laboratoriumtechnieken en van de nieuwe inzichten over het afweersysteem en vaccinontwikkeling.

Op zijn afscheidssymposium bleven hoge onderscheidingen uit, „want die heeft hij allemaal al”, zei Jaap Verweij, decaan van de medische faculteit. Viroloog Klaus Stöhr, tot 2007 baas van de griepafdeling van de Wereldgezondheidsorganisatie en nu van de griepvaccinafdeling van farmaceut Novartis, had collega’s van over de hele wereld gevraagd om Osterhaus kort te typeren. Veel lof met een randje: „A very pleasant and inspiring alpha animal.” En „handle with care or he bites”. Hij werd er geprezen als een leidende figuur bij het voorkomen van een wereldwijde SARS-epidemie. Voor het eerst lukte het een nieuw virus bij de mens snel uit te roeien.

In de publieke opinie kreeg Osterhaus vier jaar geleden, toen de Mexicaanse griep een mildere ziekte bleek te zijn dan aanvankelijk gevreesd, het verwijt dat hij contacten met de industrie had en geadviseerd had om voor miljoenen euro’s virusremmers en vaccins in te slaan. Veel bleef ongebruikt op de plank liggen.

Hadden virologen niet kunnen zien aankomen dat de Mexicaanse griep een milde ziekte zou geven?

„Ja, wacht nou even. Die griep in Mexico heeft eerst twee tot drie maanden gesudderd. Er zijn uiteindelijk honderdduizenden doden gevallen. Het nationale influenzacentrum in Mexico wist wel dat er influenza heerste, maar deed niet aan subtyping. Ze ontdekten dat nieuwe H1N1-virus niet. Het kwam pas boven water toen een patiënt de grens overging en in Californië gediagnosticeerd werd met een nieuw virus.

„Dat virus had nogal wat eigenschappen van het Spaanse griepvirus uit 1918. Dat begon ook met een piek van relatief milde ziekte. Daarna is het gemuteerd en kon het exploderen tot een dodelijke pandemie. Daar hebben we rekening mee gehouden. Ik vind dat nog steeds terecht. Die mutaties zijn – heel fortuinlijk – bij dit virus niet verschenen.”

De afgelopen jaren heeft viroloog Ron Fouchier in Rotterdam gericht mutaties in H5N1-vogelgriep aangebracht, waardoor nu duidelijker is welke veranderingen in de erfelijke code van een influenzavirus het virus gevaarlijk maakt voor mensen. Een Amerikaanse staatscommissie die bioterrorisme moet bestrijden wilde in het najaar van 2012 niet dat de resultaten werden gepubliceerd. Na maandenlange discussie is dat uiteindelijk toch gebeurd.

Was het bij de Mexicaanse griep niet te voorspellen dat de mutaties die er een Spaansegriep-achtige pandemie van konden maken, niet zouden verschijnen?

„Dat zou nu zelfs nog niet kunnen.”

Ook niet met de kennis over de mutaties die Ron Fouchier heeft verzameld?

„Nee.”

Waarom niet?

„Je moet natuurlijk de mutaties kennen waardoor een virus zich goed in de mens kan vestigen en waardoor het zich kan verspreiden. Maar er zijn meer zaken belangrijk. Je moet ook weten wat de kans is dat zo’n mutatie ontstaat. Belangrijk daarbij is hoe goed het virus zich in een mens kan vermenigvuldigen. De mutaties die optreden zijn evenredig met het aantal virusdeeltjes dat ontstaat. Als er in de bevolking al een basale afweer tegen een nieuw virus bestaat, heeft het veel minder kans om zich te vermenigvuldigen en te muteren tot een gevaarlijke verspreider. Je moet dus ook weten of er al afweer in de bevolking tegen het nieuwe virus bestaat.”

Oudere mensen hadden een beetje afweer tegen het Mexicaanse griepvirus.

„Dat waren vooral antilichamen. Traditioneel wordt daar naar gekeken. Tegenwoordig weten we dat niet alleen die antilichaamafweer van belang is, maar ook de cellulaire. Aan de rol van de T-cellen werken we pas de laatste tien jaar voluit. Op dit moment snappen we daar nog veel te weinig van.”

Wanneer kunnen we een volgende grieppandemie wel goed voorspellen?

„Misschien over tien tot vijftien jaar. Je hebt de kennis van de mutaties en van het afweersysteem nodig. En je hebt een optimaal surveillancesysteem nodig. De influenzasurveillance is inmiddels vrij goed, maar er zitten nog gaten in. Maar de rekenmodellen laten zien dat je quick on the ball moet zijn als je een pandemie echt wilt voorkomen. Als er ergens een potentieel gevaarlijk virus opduikt moet je pijlsnel handelen om het weg te krijgen.”

Alleen met SARS is het voor het eerst in de geschiedenis gelukt om een beginnende pandemie de kop in te drukken. Dat is een heel anders virus, een coronavirus. Er was geen surveillancesysteem. Hoe is dat wel gelukt?

„Bij SARS zijn mensen de eerste twee ziektedagen zelf niet besmettelijk. Dat is dus anders, iets makkelijker, dan bij influenza. Als je heel goed onderzoekt met wie de besmette personen in contact zijn geweest, dan kun je met het isoleren van mogelijk besmette mensen al heel veel bereiken. Verder is in een razend tempo het virus gekarakteriseerd en hebben we heel snel gegevens uitgewisseld, met een dozijn labs van over de hele wereld. Dat was een hectische tijd, met dagelijkse teleconferenties.”

Een SARS-uitbraak is zo in de kiem gesmoord. „Als zoiets lukt, dan spaar je niet alleen acuut mensenlevens, maar heb je ook voorkomen dat zo’n virus een humaan virus wordt dat jaar in jaar uit mensen doodt. Nu we door genetische analyses steeds meer weten over de herkomst van virussen zie je steeds meer voorbeelden van virussen die vrij recent de overstap hebben gemaakt.”

Zoals?

„Het humaan metapneumovirus dat ook hier in Rotterdam is ontdekt is 150 tot 200 jaar geleden de soortenbarrière overgestoken vanuit vogels naar de mens. Het heeft toen waarschijnlijk een pandemie van luchtwegziekten veroorzaakt, maar daar is niets van vastgelegd. Dat virus komt nu nog steeds iedere winter terug als infectieziekte waar vooral kleine kinderen en oude, zwakke mensen heel erg ziek van kunnen worden. Wij laten die kinderen niet doodgaan. Maar in arme landen gebeurt dat helaas wel.”

En met MERS, gaat daarmee nog lukken wat met SARS wel lukte? MERS is al twee jaar bekend.

„Met MERS gaat het niet echt goed. Alleen al het gedoe met Saoedi-Arabië, waar de ziekte vooral heerst, dat aanvankelijk niet goed meedeed in de bestrijding en documentatie. Er is nu een onderminister aan de kant gezet. Ik hoop dat het nu beter gaat. Met SARS nam de Wereldgezondheidsorganisatie het initiatief.”

Een analyse in de British Medical Journal van 23 juni concludeert dat de huidige internationale overeenkomsten een uitbraak als SARS niet zullen voorkomen. Zo’n 90 van de 194 landen hebben hun monitoring, rapportage en responssysteem niet op orde. Als daar iets gebeurt zijn we waarschijnlijk te laat.

„Met de conclusie ben ik het eens, maar dat wil niet zeggen dat het onmogelijk is om een uitbraak te voorkomen. Op papier is het politieke systeem dat we hebben fantastisch. Landen hebben zich verplicht om te rapporteren.”

Maar er is geen handhaving, geen sanctie.

„Nee. Dat kan ook moeilijk. Als de WHO te veel pressie uitoefent neemt de weerstand toe en hebben ze helemaal geen entree meer in een land. Met China was dat zo aan het begin van de SARS-uitbraak. Dat land is snel bijgedraaid. Dat doet Saoedi-Arabië nu ook. Geen land vindt het leuk als daar een virus wordt ontdekt dat net van dier naar mens is overgesprongen en de wereld over kan gaan. Je moet overal investeren in de cultuur die er rond volksgezondheid bestaat, al voordat er iets gebeurt.”

De Saoedische regering zegt dat ze niet kan optreden tegen MERS omdat het Erasmus MC een patent heeft op de volgorde van het in Saoedi-Arabië geïsoleerde MERS-virus. Daardoor kunnen ze geen diagnostische tests maken.

„Dat is onzin.”

Hebben jullie geen patent?

„We hebben een patent op het gebruik van de erfelijke code van het virus aangevraagd. Hetzelfde deden we eerder voor SARS. Kijk, voor alle duidelijkheid: wij hebben het virus ontdekt in het kader van Emperie, een EU-project voor het ontdekken van nieuwe virussen. Wij hebben alle informatie meteen aan de microbioloog in Saoedi-Arabië gegeven die ons het virus had gestuurd. Die heeft meteen alles aan het ministerie doorgegeven. We hebben met partners in een ander EU-project diagnostische tests gemaakt. Binnen een paar weken hebben zo’n 200 volksgezondheidslabs over de hele wereld de nodige informatie en materialen van ons gekregen, zonder betaling. De Saoedi’s ook. Die hoefden zelf helemaal geen test te maken.”

Maar waarom een patent?

„Het patent is er voor als er een vaccin moet komen. Dat is tegenwoordig industrieel werk. Een bedrijf dat een vaccin gaat maken moet daar ongeveer 200 miljoen in investeren. Als er geen patentbescherming is, neemt de kans dat een bedrijf er in stapt sterk af. Als je dat laat schieten heb je een kans gemist. Daarom vind ik dat je moet patenteren. Dat vind ik niet alleen. Alle grote labs doen het.”

Dat ging bij SARS net zo?

„Bij SARS waren er een dozijn labs met eigendomsrechten. Toen hebben we samen met de WHO een patent-pool gemaakt. Een onafhankelijke derde partij heeft de zaken geregeld met farmaceutische industrieën die een vaccin wilden maken. Er waren binnen een paar maanden een dozijn kandidaatvaccins. Bij MERS hebben we vanaf het begin aangeboden om samen te kijken hoe met de rechten om te gaan. Het kostte ons geld, maar het kon binnen een EU-project. Ik denk dat Europa hier fantastisch heeft gescoord.”

U bouwt nu op twee plaatsen nieuwe groepen op. Hoe lang werkt u door?

„Geen idee. Ik denk dat ik nog een goede bijdrage kan leveren. Ik heb collega’s van over de tachtig die nog goed meedraaien. Wel heb ik mensen in mijn omgeving gevraagd me te waarschuwen als ik een beetje van de koers af raak, maar ik ben natuurlijk eigenwijs genoeg om dat niet meteen te accepteren.”