Je gaat niet rommelen in de koffer van een slachtoffer

Terughoudend verslag van de ramp met een paar blunders

Een live uitzending, drie dagen na de ramp, op de Britse nieuwszender SkyNews. Verslaggever Colin Brazier staat tussen de koffers van de slachtoffers van de ramp met vlucht MH17.

De camera zoomt in. Een cameratasje. Het fotoboek Holland in vogelvlucht van Herman Scholten. Een wit T-shirt met de opdruk I Love Amsterdam. „Dit zenden we wel uit”, zegt Brazier. „De lichaamsdelen die hier langs de weg liggen, laten we u niet zien.”

Dan bukt Brazier zich. Hij steekt zijn hand in een koffer. Pakt een roze waterfles, daarna sleutels. „Dit lijkt me een koffer van een klein meisje”, zegt hij.

Onmiddellijk biedt Brazier voor de camera zijn excuses aan. „We moeten dit niet doen. Dit is fout.”

De faux pas van Brazier was het journalistieke item dat de afgelopen week de meeste ophef veroorzaakte. Een beetje rommelen in een koffer van een slachtoffer: dat doe je niet. Brazier werd op Twitter en Facebook zwaar bekritiseerd.

Hoe zijn de media de afgelopen week in beeld en woord met de ramp omgegaan? Incidenten zoals het verslag van Brazier lijken een uitzondering. In Nederland werden geen filmbeelden en foto’s van slachtoffers getoond. Vlak over de grens wel: de Vlaamse krant De Standaard plaatste een foto van een levenloos lichaam dat nog vastgegespt zat in een vliegtuigstoel. In Vlaanderen leidde dat – op een paar brieven na – nauwelijks tot reactie.

Niet heel gek ook: in het vliegtuig zaten zes Belgische slachtoffers, tegenover 194 Nederlanders. Nederlandse media voelen zich om die reden gedwongen om afstandelijk verslag te doen. „Uiteindelijk draait het erom: hoe vertel ik het beste een verhaal”, zegt voormalig NOS-hoofdredacteur Hans Laroes. „Als beelden zo heftig zijn dat niemand meer kijkt, schieten de media hun doel voorbij.”

Dat hebben de Nederlandse media, vindt Laroes – tevens voorzitter van de Raad voor de Journalistiek – uitstekend aangevoeld. Op een paar blunders na.

Dan volgden excuses: een keur aan Nederlandse journalisten en tv-zenders betuigde deze week spijt voor te haastig gestuurde tweets of uitzendingen waarin niet respectvol met bezittingen van slachtoffers werd omgegaan.

Zoals EenVandaag, dat „namens hoofd- en eindredactie” excuses aanbood voor verslaggever Caroline van den Heuvel. Zij las in de uitzending een passage voor uit een dagboekje van een van de slachtoffers en werd vervolgens hard aangevallen op sociale media. „Ik doe even niets. Twitter staat uit. Het is niet fraai”, is het enige wat Van den Heuvel erover kwijt wil.

Wat Brazier en Van den Heuvel deden gebeurt – als de camera’s uitstaan – heel veel, vertelt fotograaf Pierre Crom, op dit moment op de rampplek aanwezig. „Journalisten lopen overal doorheen. Kijken naar spullen, soms wordt een koffer opengemaakt. Af en toe wordt iets aangeraakt.”

Dat is niet oneerbiedig bedoeld, vertelt Crom. Bij gebrek aan een onderzoeksteam op de rampplek waren het de journalisten die het onderzoek deden, zegt hij. „Op zoek naar bewijzen kan het gebeuren dat je af en toe iets aanraakt. Als journalisten de ruimte hebben, gaan ze die ruimte benutten.”

En, zegt Crom: als het te ver gaat, zoals de journalist die een sjaal uit een koffer pakte en hem omdeed om zichzelf te beschermen tegen de hitte, dan wordt hij door andere journalisten gecorrigeerd.

De ramp is ook voor ervaren journalisten een ongewone situatie. Geen keurig afgezet gebied met een perscentrum, maar een plek waar iedereen vrij rond kan kijken en lopen. Dat leidt tot fouten.

Colin Brazier verklaarde in The Guardian dat de roze waterfles die hij uit de koffer zag steken, hem deed denken aan zijn zesjarige dochter. Ze had precies zo’n fles. Die herkenning maakte dat hij de fles oppakte. „Wat mijn Twittercritici niet konden horen, was dat ik brak op dat moment”, schreef Brazier. „Ik vocht om controle over mezelf. Ik dacht niet helder.”