Het wordt druk aan de onderkant

Een bizarre tegenstelling. Toonaangevende bedrijven voeren oorlog om toptalent. Intussen kunnen miljoenen geen baan vinden. Wat is er aan de hand? Twee jaar geleden zocht ons gezin een huurwoning in Boston. We werden geholpen door Greg. Hij had een MBA van de prestigieuze Tufts University, maar een baan als assistent-makelaar. Zijn probleem: veel te veel mensen met een even goede opleiding.

Greg is niet alleen. Steeds meer afgestudeerden hebben moeite met het vinden van passend werk. Dat geldt in de VS, in Europa en zelfs in snelgroeiende economieën als China. En dus pakken ze werk aan op mbo-niveau. Tenminste, voor zover dat er nog is. Want robotisering en automatisering zorgen al jaren voor een structurele daling van het aantal banen op dit niveau.

Deze ontwikkelingen dwingen mensen met een middelbare schoolopleiding op hun beurt om nog wat verder af te dalen in de arbeidspiramide. En voor mensen zonder diploma breken echt zware tijden aan.

De tegenstelling wordt hierdoor steeds groter. Aan de top van de arbeidsmarkt woedt de war on talent. De enkeling die voldoet aan de allerhoogste eisen kan bij Google, Apple of Facebook rekenen op een bruto startsalaris van meer dan 150.000 dollar per jaar. Dat is nog exclusief opties, bonussen en andere extraatjes.

Onderaan op de arbeidsmarkt bedruipen miljoenen zich met wat ze in de VS de nickel & dime jobs noemen. De laagbetaalde banen in onder meer schoonmaak, bediening, wasserij en tuinonderhoud. De Amerikaanse onderzoeksjournaliste Barbara Ehrenreich ging ooit undercover in enkele van deze sectoren en schreef er het boek Nickel and Dimed over. Ehrenreich stelde vast dat een groot aantal van de werknemers aan de onderkant van de economie alleen kan overleven door het combineren van meerdere banen en het delen van huisvesting. Een groot deel van hen is murw en achterdochtig. Want voor elke arbeidsplek staan tien concurrenten te trappelen. De economische crisis heeft hun omstandigheden sinds Ehrenreichs boek niet verbeterd.

„Ook in Nederland wordt het druk aan de onderkant van de arbeidsmarkt”, zei een beleidsadviseur een paar weken geleden tegen me. „De scheiding wordt steeds scherper. Je bent óf in staat om internationaal te concurreren omdat je erg getalenteerd bent, bereid bent om hard te werken én het je niet kan schelen waar je naartoe moet verhuizen. Óf je zoekt – ogenschijnlijk – de luwte op en richt je op werk dat locatiegebonden is, zoals verpleging. Werk dat bovendien niet geautomatiseerd, gerobotiseerd of uitbesteed kan worden. Dat soort werk blijft wel bestaan, maar er zal lang niet voldoende zijn voor iedereen. Om deze banen wordt straks hard geconcurreerd.”

Een paar jaar geleden vreesden we een werknemerstekort door de vergrijzing. Nu maken beleidsmakers zich grote zorgen om het structurele tekort aan werk. Sommigen zoeken naar oplossingen binnen de oude kaders. Het delen van de functies die overblijven, drie dagen werken, toch weer eerder met pensioen. Ideeën genoeg. Maar niemand staat te trappelen om werk en inkomen in te leveren.

Anderen stellen dat we een geheel nieuw denkraam nodig hebben. Een samenleving die niet langer draait om betaald werk als bestaansmiddel en – voor velen – als bestaansreden. Iedereen een basisinkomen en zoeken naar nieuwe manieren om onze tijd op aarde zinnig door te brengen.

Misschien iets om juist tijdens de vakantie eens rustig over na te denken.