Dwars door Nederland

John Jansen van Galen volgt de oudste wandelroute van het land. Er blijkt nog heel veel bos en heide te zijn.

Twee reeën snellen door moerassig grasland, vijftien ooievaars schrijden door een weide in het plassengebied en kinderen spartelen in een zonovergoten bosmeertje. Wat een weelde. Nederland als idylle. We zijn op de oudste wandelroute van Nederland. De tweede voorzitter van de ANWB, Gerard Anton Pos nam er in 1913 het initiatief toe. „Duizenden bracht hij in en tot de natuur, den Nederlanders deed hij Neerlands schoonheid kennen, waarderen en liefhebben”, staat gebeiteld in een stenen bank in de heideheuvels van de Veluwezoom. Hij wilde die schoonheid ook laten zien op een wandelroute dwars door Nederland. De ANWB adverteerde voor een routemaker en uit 242 sollicitanten werd gekozen J. D. H. Beckering, kapitein van het Indische leger. Na een jaar was hij klaar: 150 kilometer tussen Amsterdam naar Arnhem, gemarkeerd met metalen blauwe driehoekjes. De route raakte allengs in het vergeetboek maar is onlangs, precies honderd jaar later, heropend.

Wie gelooft dat Nederland sindsdien helemaal is volgebouwd, moet deze proef op de som maar eens nemen. Natuurlijk, delen van de route zijn inmiddels minder lieflijk geworden (de oostelijke zelfkant van Amsterdam, het traject dwars door Hilversum, een bedrijventerrein bij Huis ter Heide), maar na even doorbijten loop je zo weer onder de majestueuze sparren in de bossen bij Lage Vuursche en sta je versteld van de uitgestrektheid van de wouden op de Utrechtse Heuvelrug.

Het aantrekkelijke van wandelen door Nederland is de variatie in het landschap en in dat opzicht is de route een puike dwarsdoorsnede van het land. Vanaf het pontje over de Vecht in Nigtevecht loop je zes kilometer over smalle paden met aan weerszijden de spiegelende plassen naar de landgoederen bij ’s Graveland. Vanuit het pittoreske oude fabrieksdorp Heveadorp ga je door het dal van de Seelbeek de bossen op de stuwwal van de Veluwezoom in, je ziet ver over de Betuwe heen de donkere heuvels bij Berg en Dal en loopt even later langs de uiterwaarden van de Rijn.

De attractie van wandelen in Nederland is voorts dat je er regelmatig iets bij te drinken kunt krijgen en ook dat is in orde: op de binnenplaats van de kastelen in Amerongen en Doorwerth, op het terras van het van oudsher bekende hotel Nol in ’t Bosch bij Wageningen (geheel door bos omgeven), in het pannenkoekendorp Lage Vuursche of in de uitspanning Westerbouwing bij Oosterbeek, met weids uitzicht over het rivierenland.

Vier dagen lang verkenden we de route, de uitgeprinte beschrijving in de hand, want de blauwe driehoekjes die het traject voorheen markeerden, zijn niet opnieuw aangebracht. Je leert je land heel anders kennen. „Wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant”, dichtte J.C. Bloem. Maar die kwam niet veel verder dan het café. Want het wonder is: na een eeuw van verstedelijking loopt minstens viervijfde van dit oudste wandelpad nog steeds door bossen, over heidevelden en over het platteland waar de stilte alleen verbroken wordt door een paard dat hinnikt.