Droogte, straling, druk. Het maakt niet uit. Insecten weigeren gewoon dood te gaan

Deze zomer behandelt de wetenschapsredactie Grote Vragen die lezers bezighouden. De Grote Zomervraag dit weekend is: waarom zijn insecten taaier dan de mens?

Illustratie Martijn Boudestein

Straks zitten we op een mediterraan terras, met ons volle bord onder het blauwe schijnsel van een rooster voor insectenelektrocutie. Elke kzzrb is de dood van een venijnige steekmug.

Denken we. In werkelijkheid gaan er bijna geen muggen dood in die onsmakelijke roosters. In de VS deden twee biologen de moeite om het uit te zoeken. In 10 weken belandden er 13.789 ongelukkige insecten op de elektrische plaat. Slechts 31 daarvan waren stekende muggen, dazen of knutten. Er stierven wél ruim zesduizend onschuldige vliegjes en motjes – die, in tegenstelling tot muggen, op het licht afkomen. De studie is alweer bijna twintig jaar oud, maar de blauwe roosters hangen er nog steeds.

Deze elektrocutiestudie staat in het mooie boekje The earwig’s tail (2009) van de Amerikaanse entomoloog May Berenbaum. Dat vertelt twee dingen over de ogenschijnlijke onuitroeibaarheid van insecten. Eén: insecten zijn soms onuitroeibaar. En twee: mensen hebben daar niet altijd realistische ideeën over.

Waarom is de taaiheid van insecten een Grote Vraag? Wat is het grote belang? Misschien omdat het gaat over de toekomst van het leven in het algemeen. Over de symboliek van de zespotige ‘calimero’, die de naakte apenplaag uiteindelijk de baas zal zijn.

Wat dat betreft hebben insecten goede papieren. Ze hebben zich tamelijk onuitroeibaar getoond sinds ze op Aarde zijn – dat is in hun huidige vorm al bijna 400 miljoen jaar. De gewervelde dieren met vier poten bestaan ook al sinds het Devoon (het tijdvak van 420-360 miljoen jaar geleden) maar zij kregen net als veel andere diergroepen enorme klappen te verwerken tijdens de massale uitstervingsgolven aan het einde van het Perm (251 mln jaar geleden) en het Krijt (66 mln jaar geleden, toen de dino’s verdwenen). De insecten niet. Van de families die in het Krijt rondkropen en -vlogen, leeft 84 procent nu nog. (Samengevat in het artikel Insect diversity in the fossil record, in juli 1993 in Science.)

Het kan dus niet anders, of insecten zijn taai – veel taaier dan mensen. Ontzet waren de biologen uit de eerste helft van de twintigste eeuw die, onder aanvoering van de geneticus HJ Muller, fruitvliegen met gamma- en röntgenstraling gingen bestoken. Ze wilden DNA-mutaties veroorzaken, en dat lukte ook (Muller kreeg er zelfs de Nobelprijs voor). Maar de vliegen, en ook andere insecten, weigerden dood te gaan.

In 1957 rapporteerden twee Britse entomologen in Nature dat de parketkever (Lyctus brunneus) gewoon doorgaat met eieren leggen als hij een stralingsdosis van 480 gray te verduren krijgt – 10 gray is voor mensen acuut fataal. (De kevereitjes worden steriel, dat wel.) Nog altijd zijn celbiologen aan het uitzoeken wat de basis van die stralingsbestendigheid is. Betere DNA-reparatie, betere bescherming tegen vrije radicalen – daar draait het deels om.

Misschien behoeden die eigenschappen insecten ook in de natuur voor onheil. In het tijdschrift Ecological Entomology ging het vorig jaar over larven van mierenleeuwen (verre verwanten van de gaasvliegen) uit de Israëlische woestijn. In het lab kregen hun larven twee maanden niets te eten of te drinken. De vastenperiode deed de larven weinig. Ze stopten weliswaar met groeien, maar haalden de achterstand bij de volgende maaltijd weer in. Of ze begonnen alvast te verpoppen.

Insecten roeien met de riemen die ze hebben. De meeste trekken niet weg als het tegenzit, ze leggen geen voedselvoorraden aan (op bijen, mieren en andere kolonievormers na), en ze warmen op en koelen af met het weer.

Toch zijn insecten niet totaal onkwetsbaar. Veel soorten kunnen níet tegen vorst. Ook leven er geen insecten in heetwaterbronnen, of in de Dode Zee. En van de 71 vlindersoorten die rond 1950 in Nederland voorkwamen, zijn er inmiddels 17 verdwenen door vernietiging van het leefgebied waaraan ze hoge eisen stellen.

En ‘taaier dan de mens’ is geen prestatie. Wij zijn prinsessen op de erwt, die onze omgeving aanpassen zodat we zelf niet hoeven te veranderen. De blinde molrat overleeft in diepe holen, bij zuurstofconcentraties die soms lager zijn dan op de Mount Everest. Reuzenschildpadden worden 150 jaar oud. En de meeste families van tweekleppige schelpen (‘bivalven’) weigeren ook al honderden miljoenen jaren om uit te sterven.

De allertaaiste dieren zijn trouwens geen insecten, maar microscopisch kleine waterbeertjes (Tardigrada). Zij kunnen 5.000 gray gammastraling aan. Bij langdurige stress veranderen ze in een ‘ton’, een inactieve spore. Zo overleven ze dagenlang bij -200 °C, of bij een druk van 1.200 keer atmosferische druk, of kunnen ze tien jaar zonder eten of drinken.

Maar insecten zijn wel het symbool voor al die kleine aardbewoners. Kakkerlak was in Nederland al in de zeventiende eeuw een scheldwoord. Veel later, ergens tussen HJ Mullers stralingsexperimenten en de opkomst van DDT, moet het verhaal zijn ontstaan dat die toch al gehate kakkerlak niet, nee nooit uit te roeien is. Dat de kakkerlak zelfs een totale kernoorlog zal overleven. Een jaar vol straling, duister, vrieskou. Wij gaan het niet redden. Maar als het stof optrekt, zal de kakkerlak niet de enige overlevende zijn.