Die ramp kon ook iedereen overkomen

Op tijd hield de regering toch een collectief ritueel. Spontaan was het ook gebeurd, vindt Paul Schnabel.

Illustraties Cyprian Koscielnak

Het was een goed besluit om 23 juli tot een dag van nationale rouw te verklaren. Na het eindeloze gesol in Oekraïne met de in de zomerwarmte snel ontbindende resten van de bijna driehonderd passagiers van MH17, herstelde de plechtige ontvangst in Eindhoven, de vlaggen halfstok en de duizenden mensen langs de route naar Hilversum iets van de waardigheid van de slachtoffers.

De minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken noemden de terugkeer van de dode reizigers het eerste en belangrijkste doel. Zij lieten geen enkele ruimte voor het idee dat het zinnig kon zijn om met de inzet van commando’s of mariniers zelf even de zaken in Oekraïne te regelen. Die oproep werd wel regelmatig gedaan, meestal onder verwijzing naar de woede of boosheid van veel Nederlanders. Ik heb overigens veel minder woede gezien dan medeleven en medelijden. Was er al boosheid, dan richtte die zich op de doorzichtige leugens waarmee zowel de Russen als de separatisten probeerden te verdoezelen dat het ging om een raket die een volstrekt verkeerd doel had getroffen.

Dit was geen aanval op Nederland of Maleisië , zoals de aanslag op de Twin Towers wel degelijk bedoeld was om Amerika in het hart te treffen. Het was een ongeluk, dat ook een lelijke, waarschijnlijk tijdelijke terugslag betekent voor de steun van Rusland bij de pogingen delen van Oekraïne weer te ‘russificeren’. In het Kremlin zal eerder gevloekt dan gejuicht zijn.

Maar honderd jaar na de moord op kroonprins Franz-Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije, die leidde tot de Eerste Wereldoorlog, lijkt men toch een les te hebben geleerd. Niemand wil een echte oorlog tussen staten riskeren. Gewapende conflicten spelen zich tegenwoordig vooral af binnen een staat – of ze worden zo georganiseerd dat ze eruit zien als een intern conflict. Door de raketaanval op vlucht MH17 is dat wel heel duidelijk geworden.

Niettemin zal niemand binnen de NAVO zich laten provoceren. De handschoen zal niet daadwerkelijk worden opgepakt. Nederland kan dat alleen al helemaal niet doen – zelfs niet voor repatriëring van achtergebleven lichamen en bezittingen. Met vertraging, maar zeker ook met de opvallend empathisch geformuleerde hulp van de bondgenoten, lukt die repatriëring nu toch.

Dit was geen ‘gewoon’ vliegtuigongeluk, zoals bij Tenerife en Faro of op Zanderij. Dit was ook niet het gevolg van een bomaanslag in het vliegtuig zelf, zoals bij de Pan Am-ramp in Lockerbie en misschien ook bij dat andere verongelukte vliegtuig van Malaysian Airlines. Dit was een domme vergissing.

Dat maakt de verwerking voor de nabestaanden en de Nederlandse samenleving extra moeilijk. Driehonderd levens zijn bij vergissing beëindigd. En wat voor levens, het hadden onze eigen levens kunnen zijn. Vliegen is voor bijna iedereen gewoon geworden. Mensen met hun gezin op weg naar vakantie, naar familie of naar huis; congresgangers, zakenlieden, studenten op weg naar een stageplek. Wat hun is overkomen, kan ieder van ons overkomen. Wij kunnen ons gemakkelijk met hen identificeren. Beter gezegd, het is juist heel moeilijk dat niet te doen.

In de rouwadvertenties wordt het einde van soms een heel gezin betreurd. Dat versterkt ons gevoel van betrokkenheid maar het bevestigt ons ook in onze angst voor wat er kan gebeuren, ook als er alles is gedaan aan veiligheid. De toon van de rouwadvertenties is persoonlijk en direct; de overledenen worden zelfs aangesproken alsof ze er nog zijn. In de omschrijvingen van hun persoonlijke kwaliteiten klinkt door hoe onrechtvaardig het is dat juist zij van hun leven zijn beroofd. Het zijn de trotse en warme woorden waarmee we onszelf, onze relatie en onze eigen kinderen graag omschrijven.

Na de moord op John F. Kennedy waren de publieke en massale betuigingen van medeleven, zoals die plots te zien waren na het overlijden van prinses Diana in 1997, nog afwezig. In Nederland lokte de moord op Pim Fortuyn reacties uit die waren te vergelijken met de reacties op het overlijden van prinses Diana, al overheerste woede het verdriet.

Het collectief uiting geven aan verdriet, vreugde en boosheid is toegenomen - en dat staat los van het verongelukken of vermoorden van een publiek persoon. Net als in 1997, voor de hekken van Buckingham Palace, stapelden de bloemen zich de afgelopen dagen op Schiphol op. Mensen wierpen bloemen naar de rouwauto’s met de slachtoffers van de vliegramp, net zoals ze deden naar de begrafenisauto’s met prinses Diana en Pim Fortuyn; er worden kaarsen gebrand, condoleanceregisters getekend, herdenkingsdiensten gehouden.

Dat zou het prominentste slachtoffer van de vliegramp, Joep Lange, herkenbaar zijn voorgekomen. Lange was al meer dan dertig jaar een centrale figuur in de strijd tegen aids. Hij heeft zelf gezien hoe de rituelen rond sterven en begraven juist door aids een sterk persoonlijk en emotioneel karakter hebben gekregen.

Daarnaast, maar naar de vorm daar zeer door beïnvloed, heeft de steeds publieker wordende dood van bekende personen tot nieuwe ‘collectivisering’ van rituelen geleid. Dat is ook te begrijpen, want televisie heeft de koning, politieke leider en populaire zanger dichterbij gebracht. Zij zijn inmiddels zo dichtbij dat we een persoonlijke verbondenheid voelen, ook al kennen zij ons niet. En dankzij de sociale media kan die verbondenheid weer heel snel en spontaan tot collectieve actie leiden.

Collectieve rituelen worden niet alleen samen uitgevoerd, ze bevestigen ook ons gevoel een gemeenschap te zijn. We zoeken dat gevoel ook. Dat betekent dat ook zonder regie van bovenaf en zonder officieel uitroepen van een dag van nationale rouw op veel plaatsen een collectief ritueel tot stand was gekomen. Vanzelf dus.

Eerst ging de regering voorbij aan dat gevoel. Sterker, ze suggereerde dat wij in Nederland nu eenmaal niet zoiets als een dag van nationale rouw kennen - en leek zo de immer sterker beleefde traditie van twee minuten stilte op 4 mei te vergeten.

Uiteindelijk ging de regering overstag en dat was verstandig. Immers, het gevoel groeide dat nationale rouw toch gepast zou zijn. De reactie van de regering was daarom adequaat en precies goed, in de tijd gezien.

Op woensdag 23 juli kwamen de eerste vliegtuigen met doodskisten aan. Op dat moment waren de koning en de koningin er om namens ons allen respect te betuigen. Twee dagen eerder waren ze ook aanwezig bij een besloten bijeenkomst van de nabestaanden. Toen ging het om de emotie en de persoonlijke troost, op 23 juli om de ceremonie en het collectieve afscheid. Beide hebben hun plaats in de rouw.