Christenen geloven joden doen

Marianne van Praag wist niet dat ze rabbijn wilde worden, tot het kon. „Ineens wist ik wat er al die tijd voor mij was weggelegd”, zegt ze bij een geitenkaassalade.

Marianne van Praag, rabbijn, vaart mee op de joodse homoboot tijdens de Gay Pride. „De homoboot is niet het grootste bezwaar, dat ’ie op zaterdag, op sabbat vaart, dát is een probleem.”

Op bruine klompen stapt Marianne van Praag (58) uit haar oude, donkergroene Saab. Ze pakt haar tas, haar vest en grist een paar losse velletjes papier van de achterbank. Samen lopen we naar het terras van de uitspanning in Wassenaar. Ze praat, stopt midden in een zin, roept dat ze iets is vergeten en rent op een holletje terug naar haar auto. Ze komt terug met nog een A4’tje. Een kopie van een pagina uit de Thora, een Hebreeuwse passage is geel gemaakt. Dit, hijgt ze, komt straks vast ter sprake.

Marianne van Praag is rabbijn. Zeven jaar geleden behaalde ze, als een van de eerste vrouwen in Nederland, haar semicha (rabbinale bevoegdheid). Twee jaar geleden werd ze de rabbijn van de liberaal-joodse gemeente in Den Haag. Na Amsterdam de grootste gemeente van Nederland, driehonderd families zijn lid. Ze was daarvoor al rabbijn in Dieren (tachtig families) en Almere (veertien families), en dat is ze nu nog steeds.

Een vrouwelijke rabbijn is behoorlijk onconventioneel. Buiten Nederland bestonden ze al, en Nederlandse vrouwen gingen ook wel elders naar de rabbijnenopleiding. Maar daarna kwamen ze zelden terug naar Nederland. Met Marianne van Praag erbij geteld, zijn er nu zeven vrouwen in Nederland rabbijn. Allemaal bij liberale gemeentes. „Orthodoxe joden erkennen ons niet als rabbijn.”

Marianne van Praag rekt de grenzen van de tolerantie nog ietsje verder op – ook die van haar eigen liberale achterban – door 2 augustus mee te varen op de joodse homoboot tijdens de Gay Pride in Amsterdam. „De homoboot is niet het grootste bezwaar”, zegt ze. Dat die boot op zaterdag vaart, dát is een probleem. Zaterdags is het sabbat, de verplichte joodse rustdag. Niet autorijden, geen geld uitgeven, geen lampen aan, geen muziek maken, geen apparaten bedienen, ook geen camera of telefoon.

Nu komen haar kopietjes van pas. Met een wijsvinger schuift ze, van rechts naar links, over de letters. „Er staat: God schiep de mens, mannelijk en vrouwelijk.” Ze kijkt triomfantelijk. Ja, die zin uit het bijbelboek Genesis klinkt bekend. Ze schudt haar hoofd: „Er staat niet: God schiep de man en de vrouw. Nee, er staat: God schiep de mens, mannelijk en vrouwelijk, naar zijn evenbeeld. Dat wil zeggen dat ieder mens mannelijk én vrouwelijk is.” Figuurlijk gesproken uiteraard. „Ieder mens zoekt een soulmate. Iemand die jouw mannelijke én vrouwelijke kanten aanvult.” Die iemand, zegt ze, kan dus een man zijn of een vrouw.

Ineens valt het kwartje: dit is niet zomaar een staaltje bijbelexegese. Die twee geel onderstreepte regels zijn haar legitimatie van homoseksualiteit. Weer gaat haar vinger naar de woorden. „Zie je tussen het woord man en vrouw dat haakje staan?” Die Hebreeuwse letter symboliseert verbondenheid tussen de woorden. Als ik in de synagoge een pasgeboren kind zegen, wens ik het geen gelukkige chuppah (huwelijk) toe, maar een gelukkige ahava (liefde).

Ze bekijkt de kaart, kort. Kiest een salade met geitenkaas. „Zit ik altijd goed mee.” Ze houdt liever in het midden hoe koosjer ze al dan niet eet. Ze ligt, als rabbijn, nogal onder een vergrootglas. Vandaar ook al dat gedoe over die boottocht op sabbat. Daarover is ze trouwens wel stellig: „Elke joodse wet mag verbroken worden als het is om een mensenziel te redden.” Met geloof of geloven had ze vroeger niks te maken, zegt ze. „Het woord geloven bestaat niet eens in het Hebreeuws. Christenen geloven, joden doen. En door te doen, kom je tot inzicht.” Ze vindt het haar taak om te helpen „de wereld heel te maken”. Woorden zijn niet genoeg. „Het is mijn taak diegenen die zich oncomfortabel voelen, zich comfortabeler te laten voelen, en diegenen die zich wat al te comfortabel voelen, zich wat minder comfortabel te laten voelen.”

Haar telefoon gaat. Haar dochter, Hadassah van 28. Nee, zegt ze als ze ophangt, haar dochter is niet religieus. Haar zoon Mischa van 25 ook niet. „Hoeft ook niet. Ze moesten van mij op joodse les, ze moesten bat en bar mitswa doen. Daarna mochten ze het zelf weten. Ik heb ze alleen de joodse identiteit mee willen geven.” Zoals háár moeder die aan haar heeft doorgegeven. „Zoals zoveel joden wilde mijn moeder na de oorlog niets te maken hebben met de joodse religie.” Ze had ondergedoken gezeten. „Later heeft ze besloten haar kinderen tóch op te voeden in de traditie. Ze wilde ons het prettige, het positieve ervan laten ervaren.” En haar vader? „Die had er niks mee. Hij vond het prima dat ze ons meenam naar de synagoge. Zolang hij maar niet hoefde.” En zij zelf? „Ik vond vond het stom en saai.”

Haar moeder ontpopte zich tot de spil, het geheugen en het geweten van de liberaal joodse gemeente in Den Haag. „Mij noemen ze een sterke vrouw. Mijn moeder, die was pas sterk. Haar huis hing vol gele post-its: die lag in het ziekenhuis, die had zijn moeder verloren, die moest ze bellen, daar moest ze nog even op bezoek.”

Marianne van Praag komt al sinds haar vierde in de Haagse synagoge waar ze nu rabbijn is. Ze is „geen psycholoog en geen hulpverlener. En tegelijkertijd ben ik het natuurlijk allemaal hartstikke wél”. Ze begeleidt geboortes en wast de stervenden, bezoekt zieken en bejaarden, leidt huwelijken en begrafenissen. „Die structuur, dat sociale vangnet, die vastigheid van het jodendom, het zit zo knap in elkaar. Al ver voor het woord rouwverwerking bestond, hadden de joden al wetten waarin precies stond hoe een rouwproces eruitziet. Van het moment van overlijden tot het plaatsen van de steen is alles heel precies beschreven. Hoe lang de diepe rouw duurt, wanneer je voorzichtig weer naar buiten kunt. Het is iets prachtigs.”

Toeristengids

Best een grote stap, van ‘stom en saai’ naar ‘prachtig’. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Ze lacht. „Stel een rabbijn een korte vraag en je krijgt een lang antwoord.” Ze is onderwijzeres geworden, ze is naar Israël gegaan voor een opleiding ‘community worker’ die haar moeder geschikt voor haar vond. Ze werd toeristengids en wilde daar eigenlijk blijven. „Maar ik kwam mijn man tegen.” Robert Kiek, advocaat in Den Haag. Voor hem kwam ze terug. Kreeg een gezin, dochter Hadassah en zoon Mischa. „Maar al die tijd voelde ik: er is iets voor me weggelegd, ik weet alleen niet wat.” Wat voelde ze dan? „Ik had altijd een intuïtief talent om mensen te ‘lezen’. Mijn man werd er gek van als ik weer aan iemand vroeg of alles wel goed ging.”

Ze had die jaren twee dingen op te lossen. Eén: ze vocht voor gelijke rechten voor joodse vrouwen en tegen alles wat ze als onrechtvaardig ervoer. En twee: ze moest een oplossing verzinnen voor haar strijd met God. „Ik hield van de tradities, wij voedden onze kinderen joods op. Maar God, daar kon ik niks mee, ik sprak het woord niet uit.” En, hoe heeft ze dat opgelost? „Nou, God is in elk geval geen oud, joods mannetje in de hemel...” Wat dan? „De Franse filosoof Emmanuel Levinas zei: god is in de ogen van de ander. Zo zie ik het ook. God is een soort diamant. Elke keer dat ik in het contact met een ander mens of anderszins iets wezenlijks ervaar, wordt er een facetje van de steen opgepoetst. Dat straalt. Dat noem ik dan een goddelijk moment, zo ervaar ik God.”

En toen werd, in 2008, de eerste Nederlandse rabbijnenopleiding opgericht. De rabbijnen die er waren, werden oud. De generatie die hen had moeten opvolgen, was door de oorlog weggeslagen. „Er was behoefte aan eigen kweek.” Zij meldde zich direct als student. „Dit was het. Ineens wist ik wat er al die tijd voor mij was weggelegd.” Waarom wilde ze het zo graag? „Nu kreeg ik de instrumenten in handen om mensen echt iets te bieden. Ik heb nu antwoorden op vragen. Ik kan troost bieden. Ik kan een klein beetje helpen de wereld te herstellen.”

Haar kinderen vinden haar nieuwe bestaan „ontzettend cool”, ook al „hebben ze niks” met religie. Ze vertelt over haar zoon, musicalster en medeorganisator van de Dag van Respect (voor basisscholen). Ze vertelt over haar dochter, verpleegster, zonder wie ze „pastoraal nooit zo goed was geworden”. Kinderen, zegt ze, hebben het recht te worden wie ze zijn. „Ze hoeven niet te worden wat de ouders willen.” Hoor de rabbijn in de woorden die ze vervolgens spreekt: „De Thora zegt: wie geen verdriet kent, kent ook geen geluk. Mijn dochter heeft me doen inzien wat geluk is.”

Ik kan niet laten te vragen wat haar man van haar roeping vindt. „Ge-wel-dig”, zegt ze. Laatst vertrok ze op zaterdagochtend vroeg van huis voor de dienst in Dieren. In de wetenschap dat ze pas ’s avonds na etenstijd weer thuis zou komen. „‘Geen zorgen’, zei hij. ‘Ik kook wel’. Dat had hij in 33 jaar nog nooit gedaan.” Misschien dat ze het afgelopen jaar twee vrije weekenden heeft gehad, zegt ze. „Twee feesten zijn me heilig. Die vier ik thuis. De eerste avond van Pesach, en het loofhuttenfeest in de herfst. Ik heb een loofhut in mijn tuin, nauwelijks een meter van mijn huis af. Iedereen mag langskomen, maar ik kom die hut niet uit.” Feestmaaltijden koken voor veertig man, ze doet het niet meer. Dit jaar voor het eerst. Sabbat vieren, met kaarsjes en een gezinsmaaltijd? Ze lacht. „Sinds ik rabbijn ben, is mijn huis onjoodser dan ooit.”

Iets in haar gezicht verraadt een spoortje vermoeidheid. Het verdwijnt als ze, met stevige stappen, naar haar auto loopt. Op naar Noordwijk, waar een oude joodse dame de rabbijn verwacht.

Naschrift:

Na het gesprek met Marianne van Praag begint Israël een grondoffensief in de Gazastrook en overlijden in Oekraïne 298 mensen bij de vliegramp met het toestel van Malaysia Airlines. Ze wil hier graag op reageren, per e-mail. „Ook ik heb geen pasklare oplossingen voor al dat leed. Leed doordat mensen achter politieke onverdraagzaamheid aanlopen, of doordat de politiek achter de onverdraagzamen aanloopt. Ik wil in en buiten onze joodse gemeenschap uitdragen, dat mensen er goed aan zouden doen ook de pijn en het verdriet van de anderen te erkennen en respecteren. Ervan doordrongen te raken dat gebrek aan acceptatie en respect jegens anderen en het geweld dat daaruit voortkomt funest zijn. In een relatief vreedzaam land als Nederland staan we daar pas bij stil als het leed dichtbij komt.”