Bloedige broederstrijd in Europa’s rafelrand

Wordt MH17 het keerpunt in een bloedige broederstrijd? In Slavjansk vinden ze stadsgenoten die zich aansluiten bij separatisten „losers met schulden bij de bank.” Een autorit door verscheurd gebied.

foto’s Reuters, AFP

‘Delete!” blaft een soldaat bij een controlepost langs de M03 in Oost-Oekraïne. De door de zon gebronsde jongen, met een kalasjnikov nonchalant bungelend aan zijn schouder, eist dat ik de foto verwijder die ik van een afstand van zijn post heb gemaakt. Hij kijkt mee hoe ik op mijn mobiel nerveus door het fotoalbum scroll. Beelden van zonnebloemvelden en schattige fruitverkoopsters in de berm, de bedrieglijke onschuld van een landschap waarover de MH17 vloog. Een paar weken geleden woedde er nog een felle strijd tussen pro-Russische separatisten en soldaten van de Oekraïense ATO, de Anti-Terroristische Operaties. Nu is ATO hier de baas.

„De terroristen hebben we verdreven richting Donetsk”, zegt de soldaat. „Lang leve Oekraïne!” roept mijn collega Olena die chauffeert. Foto deleted. We mogen door.

Een paar uur na het opstijgen van de eerste Hercules met stoffelijke overschotten van MH17-slachtoffers hebben we Charkov verlaten, met als reisdoel Slavjansk. „Hier is het voorlopig veilig”, zegt cafébazin Oksana in het stadje Izioem waar we stoppen voor water en een rol biscuits. „Allemaal hoerenzonen”, zegt de struise Oksana, een paars schort voor en een strenge knot in het haar, over de strijdende partijen. „In het pro-westerse Kiev slaan de nieuwe politici elkaar in het parlement de hersens in. En hier in het oosten van het land slacht de ene Oekraïner de andere Oekraïner af.”

ATO heeft Izioem bevrijd. „Maar iedereen is bang dat de separatisten terugkomen”, zegt Oksana. „Die hebben meer en vooral bétere wapens.”

Achter een colonne legertrucks met Oekraïnse blauw-gele vlaggen aan rijden we oostwaarts. Langs de weg doet een chauffeur een dutje achter het stuur van zijn vrachtwagen, een afdankertje uit Nederland. Op de zijkant staat nog het opschrift ‘Bakker Internationaal Transport, Ittervoort, Holland’.

Pas bij het vallen van de avond, op een kilometer van Slavjansk, wordt het beeld grimmiger. Betonplaten en autobanden, die de separatisten tot voor kort gebruikten voor blokkades rond de stad, liggen nog langs de weg. Gordijnen wapperen uit de ramen van kapotgeschoten gevels.

Van 12 april tot 5 juli bezetten de separatisten de stad. Slavjansk werd een spookstad. De bedrading van de trolleybus is doorgeknipt en tussen glasscherven op straat scharrelen honden, op zoek naar wat eetbaars. De meeste van de oorspronkelijke 120.000 inwoners van Slavjansk vluchtten in mei, toen de gevechten steeds heviger werden. „Ze lieten hun huisdieren achter”, zegt de receptionist van het enige hotel dat nog functioneert. Sinds begin deze week is er weer elektriciteit en keren families terug. ATO-soldaten bewaken de ingang van een schoolgebouw dat nu dienst doet als hun basis.

„Hier moet je niet van eten, dit zijn granaatscherven”, lacht Igor Sentsjenko aan tafel voor zijn huis. Met wodka, brood en kaas serveert hij een paar bruine brokken waarvan ik even dacht dat het worst was.

Toasten op het weerzien

Igor en zijn gezin zijn de dag ervoor teruggekomen, tegelijk met de bovenburen, de familie Tsjebotarov. Igor had nog een achterneef in Hongarije waar hij naartoe kon. De Tsjebotarovs – Dimitri, Natalja en dochter Nastja – vonden onderdak bij familie in West-Oekraïne. Toen ze gisteren thuiskwamen, lagen tuin en binnenplaats bezaaid met granaatscherven. Nu toasten ze op het weerzien. „Leve Oekraïne!” schalt Igor in het Russisch, voor de meeste Oost-Oekraïners de eerste taal. „Maar we schakelen net zo gemakkelijk over op het Oekraïens, hoor”, zegt Natalja, die vreest dat haar bezoek denkt dat elke Russischtalige een pro-Russische separatist is.

Ze heeft bij het begin van het geweld „haar ogen goed open gehouden”, zegt Natalja. „Plots liepen er mannen in onbekende uniformen door de stad. Aan hun accent hoorde je gelijk dat het Russen waren en géén Russischtalige Oekraïners.”

Jongens uit Slavjansk die zich bij „die terroristen” aansloten, zijn volgens Natalja’s man Dimitri „losers met schulden bij de bank”. Dimitri slaat met een verbeten grimas nog een glas wodka achterover. „Voor geld heeft dat tuig de wapens opgepakt tegen hun eigen broeders.”

Als Igor een volgende wodka-toast uitbrengt, op de MH17-slachtoffers, valt er even een pijnlijke stilte. In het beste geval is de internationale woede over MH17 een keerpunt, hoopt Igor. Zijn vrouw Anja heeft er geen vertrouwen in. „De vliegramp verandert niets aan deze volstrekt zinloze oorlog zolang Poetin, die de terroristen aanstuurt, doet wat hij wil.”

Dochter Nastja is bang dat „de terroristen” van geen ophouden weten. Igor stelt haar gerust. „Een volgende keer vecht ik ze met eigen handen de stad uit.” Maar denkt héél Slavjansk er zo over? „Mijn eigen neef, een succesvol zakenman hier, steunt de terroristen”, erkent Igor. „Met hem praat ik nooit meer.”

‘Daar gaan we weer’

Over een grasveld naast het kinderziekenhuis rijdt de volgende ochtend een graafmachine, met daarachter een bonte stoet: een ministeriële gezant uit Kiev, zijn zwaarbewapende bodyguards, buurtbewoners en internationale correspondenten. Op het veldje zijn onlangs de lichamen gevonden van vier mannen. „Vermoord door de terroristen”, volgens de gezant uit Kiev die het plechtige startsein geeft voor het graafwerk. „Op deze plek zullen we vanaf vandaag de slachtoffers herdenken van de martelingen en moordpartijen in Slavjansk.”

Omstanders doen kapjes voor hun mond, als het eerste menselijke bot zichtbaar wordt. „Waar heb ik dit eerder gezien”, mompelt een ervaren oorlogsverslaggever naast me. Dezelfde taferelen als in het naoorlogse Bosnië. Ditmaal is een andere rafelrand van Europa het decor: „Daar gaan we weer.”

Op 8 juni was de kleine protestantse gemeenschap van Slavjansk bijeen in hun kerk. Pastoor Aleksandr Pavenko had de dienst net beëindigd toen gewapende separatisten opdoken. Ze wezen vier jonge mannen aan: twee zonen van pastoor Aleksandr en twee van zijn diakens. „Ze moesten één voor één in hun eigen auto’s stappen en zo werden ze afgevoerd”, zegt pastoraal medewerkster Julia. „We hebben onze jongens nooit meer teruggezien.” Het motief van de separatisten? „Vier auto’s. Dat was de buit.”

Slavjansk was een vredige stad, zegt Julia die, vechtend tegen de tranen, met haar oude handen in mijn onderarm knijpt. „Ik treur om de slachtoffers, maar ook om de daders. Dat zijn jongens die zich hebben laten misleiden door de pro-Russische propaganda.”

Achter het kinderziekenhuis gaat het graafwerk door. „Ik heb die terroristen nog uitgescholden toen ze kwamen aanzeulen met de lijken”, zegt Valentina die vanuit haar flat getuige was. „Ik heb geschrééuwd. ‘Waar ben je in godsnaam mee bezig? Je vermoordt de zonen van de vrienden van je ouders!’ Veel meer durfde ik niet te doen. Ik heb zelf een gezin om voor te zorgen.” Uiteindelijk worden na uren graven de lijken gevonden van dertien mannen en een vrouw, alle gehuld in transparant plastic.

In de namiddag rijden we de stad uit. Verder oostwaarts rijden, waar de separatisten hun ‘Volksrepubliek Donetsk’ hebben uitgeroepen, is voor Olena geen optie. Ze is geschrokken van het nieuws over de kidnapping van een Oekraïense tolk, werkzaam voor CNN, in een hotel.

In de avond arriveren we weer in Charkov. Op het grote plein, waar het standbeeld van Lenin nog overeind staat, speelt het stedelijk symphonieorkest ter ere van de slachtoffers van de vliegramp. Aan een muur hangen foto’s van MH17-passagiers. „Vergeet niet dat we hier in Charkov nog maar kort geleden ook te maken hadden met separatisten die met knuppels over straat gingen”, zegt Olena.

Charkov is nu weer honderd procent Oekraïne, zegt ze trots. Maar vervolgens stelt ze me de vraag die ook Dimitri, Igor, Natalja en de anderen me stelden. „Wat denk jij? Mocht het nodig zijn, komt de NAVO ons dan helpen?”