Wat doe jij hier witte, heb je geld?

Iris Hannema (1985) reisde alleen de wereld over. Haar moeder nam stiekem screenshots tijdens hun Skype-sessies.De komende weken schrijft Iris over die gesprekken en haar reis. Deze aflevering: Mali.

Het ziet er zo op de foto’s eigenlijk best gemoedelijk uit, maar wat had ik ertegenop gezien om weer naar buiten te gaan. Het was zo armoedig allemaal, met lemen huisjes, zanderige stofstraten, bedelende kinderen, onvriendelijke mensen, heet en stoffig bloedneuzenweer, de duivel zelf zou het er prima naar zijn zin hebben gehad.

Ik beschreef mijn reis, die begonnen was in Senegal, ongeveer in deze bewoordingen aan mijn moeder, zittend in een internetcafé achter een museumwaardige beeldbuiscomputer met een haperende internetverbinding.

Even later draaide ik de webcam naar buiten toe, en sloopte daarbij per ongeluk het ingenieuze plakbandsysteem. Zie je wat, mam? vroeg ik haar, want ik wilde dat ze de dorre boel zou zien. Ja, zei ze, wel vaag hoor, maar práchtig!, en daar staat iemand, ook een mooie boom en hé daar, een donkere man!

Nee, mijn moeder begreep er duidelijk niets van, het was hier helemaal niet prachtig! En weg was de verbinding weer. Midden in de sahel van Mali is internet een luxe en ben je er hoe dan ook ontzettend blij mee. Maar nadat mijn moeder voor een tiende keer wegviel, kreeg ik vooral zin om mijn toetsenbord kapot te meppen.

Een overvloed aan kopieermachines

Mensen kwamen daar trouwens allemaal kopiëren, niet om te internetten. Dat vind ik meteen ook heel typerend voor derdewereldlanden: overal kopieerwinkels en altijd is het er druk. Wat moeten al die mensen toch continu kopiëren? De eigenaar van het internetcafé, links op de foto, heeft al in het Frans gevraagd met wie ik aan het praten ben, in welke taal precies? Nederland kent hij niet, maar wel Amerika. Obama! Obama! Die kennen ze in West-Afrika allemaal, hij heeft de status van een messias.

De moslims zijn ervan overtuigd dat Obama naar Mekka bidt en de christenen zweren dat hij vijf avonden per week op zijn knieën in de kerkbanken zit. Wat denken de Amerikanen zelf, vroeg de eigenaar. Ik gebruikte, als ik het mij goed herinner, mijn antwoordtrucje ‘ik begrijp het’: het is een vriendelijk antwoord op onbegrijpelijke vragen, er is ook geen speld tussen te krijgen en het gesprek is daarna meteen afgelopen. Voordat de burgeroorlog twee jaar geleden in Mali uitbrak, was de Grote moskee van Djenné, de grootste lemen moskee ter wereld, de toeristische trekpleister. Het is ook een heel bijzonder gebouw. Ik mocht het platte dak op en kreeg een uitgebreide rondleiding van de imam, die trouwens het woord alleen richtte tot de man in het gezelschap. Ik vond dat hoogst irritant en kocht aan het eind van de tour dan ook geen souvenir, uit protest.

Madáááme!

West-Afrika vond ik echt wennen. Ik was over de hele wereld toch een redelijk warm welkom gewend, maar hier voelde ik het niet als ‘leuk dat je er bent’, meer als ‘wat doe jij hier witte, heb je geld?’ Gelukkig voor mij mochten straatkinderen het internetcafé in ieder geval niet in en kon ik lekker rustig zitten. Op straat bleven ze maar achter me aanlopen en ‘Madame, un cadeau! Madáááme!’ roepen, hun handjes in bedelstand. Ik vond het allang niet meer zielig, aan West-Afrika’s ellende wen je snel.

Ik had de dag ervoor Nederlanders op groepsreis ontmoet en toen begreep ik hoe de kinderen aan hun bijna agressieve bedelneigingen kwamen.

Het clubje kwam aan en begon direct cadeautjes uit te delen aan de toestromende kinderen. Als kerstmannen en -vrouwen: pennen, ansichtkaarten, bananen maar ook geld. Sommige kinderen hielden emmertjes omhoog.

De groep toeristen vond de wereld maar heel erg oneerlijk verdeeld en wij hadden het toch maar goed, vond ik dat ook niet?