Procedure is dezelfde bij alle lichamen

De identificatie van de stoffelijke resten van de passagiers van vlucht MH17 niet te vergelijken met tv-serie.

Het CSI-complex. Zo noemt Arie de Bruijn, hoofd van het Landelijk Team Forensische Opsporing (LFTO) de verwachting bij het grote publiek dat de slachtoffers van de ramp met vlucht MH17 snel geïdentificeerd zullen worden. Het echte leven is geen tv-serie: „De indruk bestaat dat wij binnen een kwartier of een uur in staat zouden zijn om DNA te verzamelen, maar dat kost veel meer tijd.” De Bruijn denkt dat het misschien zelfs maanden duurt voordat alle stoffelijke resten zijn geïdentificeerd.

Hij sprak gisteren op een persconferentie in een zaal van een hotel in Bunnik over de vorderingen die zijn team tot dan toe had gemaakt. Terwijl hij uitleg gaf over zijn werkzaamheden, waren opnieuw twee toestellen onderweg van Charkov naar Eindhoven. Aan boord waren 74 kisten. Bij aankomst op de Nederlandse vliegbasis werden de stoffelijke resten met hetzelfde eerbetoon als woensdag overgedragen in gereedstaande lijkwagens. Namens het kabinet waren de ministers Edith Schippers (VVD) en Ronald Plasterk (PvdA) aanwezig.

Na de ceremonie vertrok de stoet richting de kazerne in Hilversum waar het team onder leiding van De Bruijn aan het werk is. Langs de snelweg stonden volgens een woordvoerder van Rijkswaterstaat opnieuw veel mensen, zij het minder dan woensdag. De belangstellenden gedroegen zich beter: slechts weinigen stopten op de weg om uit hun auto te stappen.

In de Jan van Oudheusdenkazerne in Hilversum werkt een team van tweehonderd forensische specialisten, waarvan er tachtig uit het buitenland komen. Van over de hele wereld zijn experts naar Nederland gereisd.

Alle lichamen worden volgens dezelfde procedure behandeld, vertelde De Bruijn gistermiddag op de persconferentie. „Wij openen een kist en leggen het lichaam daarna op een tafel. We maken eerst vingerafdrukken en kijken vervolgens naar het lichaam. Zien we tatoeages of kledingstukken die we kunnen beschrijven en fotograferen? Daarna wordt DNA afgenomen en vervolgens gaat het lichaam naar een plek waar de tandartsen het gebit bekijken. De laatste stap is een kwaliteitscontrole. We checken dan of het proces goed is verlopen.”

Terwijl dit werk wordt gedaan, verzamelen familierechercheurs in alle betrokken landen informatie die kan bijdragen tot de identificatie van de stoffelijke resten. Het gaat om foto’s, maar ook om DNA-materiaal van bloedverwanten. Als de forensisch onderzoekers deze gegevens weten te matchen met een van de lichamen in het mortuarium in Hilversum, leggen ze hun bevindingen voor aan een internationaal panel. Als dat overtuigd is van het forensisch bewijs, wordt het lichaam formeel geïdentificeerd en kan het worden vrijgegeven aan de nabestaanden.

De Bruijn vertelt dat wie dat wil, de overledenen kan zien. „De familierechercheur bereidt de nabestaanden voor door ze te vertellen hoe het slachtoffer eruit ziet en laat desgewenst een foto zien. Dan mogen de familieleden beslissen of ze willen dat de kist wordt geopend. Mijn ervaring is dat een dichte kist op termijn meer trauma’s geeft dan een open kist.”

Over de werkzaamheden van zijn forensische experts zei De Bruijn dat het verdrietig werk is, maar dat vooral de familierechercheurs het erg zwaar hebben. „Zij komen in aanraking met het echte verdriet.” Zijn teamleden houden elkaar goed in de gaten: „ Dat doen we door elkaar in de ogen te kijken en te vragen: gaat het nog met je? En elke avond is er een briefing waar we onze ervaringen met elkaar delen.”

Het werk van De Bruijn en zijn mensen zit er nog lang niet op. Vanmiddag landen er weer twee toestellen met lichamen op vliegbasis Eindhoven.