Op oorlogsgolven meegevoerd

In autobiografische verhalen schetst deze Oost-Duitse schrijver op meeslepende wijze zijn ervaringen tijdens WOII. Van droom tot apocalyps, van roes tot orgie.

Op een van de laatste bladzijden van De Jodenauto vertelt Franz Fühmann hoe hij in 1947 wordt vrijgelaten uit Russische krijgsgevangenschap en in Berlijn langsgaat bij een oude kameraad uit de Wehrmacht. ‘Weet u,’ zegt die wapenbroeder, ‘u zou een dodendans moeten schrijven, dat zou iets voor u zijn, een huiveringwekkende, demonische dodendans, die de hele apocalyps van onze tijd omvat.’

In de veertien autobiografische verhalen van De Jodenauto , in 1962 in het Duits en nu in een mooie Nederlandse vertaling verschenen, wordt die apocalyps in alle facetten beschreven. Aan de hand van Fühmanns eigen levensverhaal ervaar je zo bijna aan den lijve de opkomst van Hitler, de wijze waarop miljoenen gefrustreerde Duitsers door de nazipropaganda betoverd werden, de triomfgevoelens over de successen, de misère na Stalingrad, de wanhoop van de ondergang.

Fühmann beschrijft in een palaverende, hallucinerende stijl, als een Duitse Céline, hoe hij als 9-jarige antisemiet werd. Het is 1931 en hij zit op school in Sudetenland, een door ‘Volksduitsers’ bewoonde regio van Tsjechoslowakije die zeven jaar later door Hitler zal worden geannexeerd. Van een klasgenote hoort hij dat er een auto rondrijdt met vier Joden erin die met messen meisjes vangen, slachten en van hun bloed toverbrood bakken.

De kleine Franz is er zo van onder de indruk dat hij, op weg naar huis, in de eerste de beste auto die Joden herkent. De volgende dag vertelt hij vol bravoure aan zijn klasgenoten hoe hij aan de lange messen is ontsnapt. Meteen is hij ieders held, totdat een meisje, op wie hij verliefd is, zijn verhaal ontkracht: de auto is van haar oom, die de weg heeft gevraagd aan een jongetje dat schreeuwend is weggerend. Bespot door de hele klas sluit Franz zich op in de wc en schreeuwt ‘Joden Joden Joden Joden. Het was hun schuld.’ En dan staat er: ‘Ik haatte ze.’

Roes

In de volgende verhalen wordt steeds een nieuw keerpunt uit Franz’ leven gemarkeerd. De hallucinerende stijl versterkt daarbij de roes van de verteller en bezweert zijn angst voor geweld. Pas na zijn desillusie aan het Oostfront en zijn krijgsgevangenschap ontdekt Fühmann Lenin. Opnieuw laat hij zich betoveren, dit keer door het communisme, om jaren later voor een tweede keer teleurgesteld te raken.

Fühmann weet je in De Jodenauto te overtuigen van de kracht van de nazipropaganda, die de fantasie van de jonge Franz’ op een soms vermakelijke wijze prikkelt. Die samensmelting van verbeelding en propaganda komt goed naar voren in het verhaal waarin de nazi’s Sudetenland hebben geannexeerd. In het stadje waar Franz met zijn ouders woont, barst ineens de volkswoede los tegen alles wat Tsjechisch is. De tweetalige straatnaamborden en winkelschilden worden door de euforische menigte van hun Tsjechische helft ontdaan. En dan lees je: ‘... plotseling klonk hogerop in de straat gebeuk en gekraak, en het gebeuk en gekraak kwam van de straat af naar beneden en werd harder en harder en opeens begonnen ook wij op het marktplein als een zwerm horzels door elkaar heen te krioelen. En nu bestormden ook wij school, raadhuis, openbare gebouwen, winkels, werkplaatsen, kantoren, herbergen en straatnaamborden. We waren uit onze verdoving ontwaakt en begrepen ineens dat we vrij waren, de Tsjechen waren weg, nu was alles Duits, nu bepaalden we alles zelf, de zelfbeschikking was gekomen, en nu waren de tweetalige borden, firmaplaten en straatnamen aan de beurt! ŠKOLA vloog van de school, RADNICE van het Raadhuis en HOSTINEC van de herberg’.

Eerste arrestaties

Maar de euforie is van korte duur. Want als het gewone leven wordt hervat, blijkt alles helemaal niet zo mooi. Zeker niet als de belastingen omhoog gaan en de Gestapo met zijn eerste arrestaties begint. Dan klinkt al gauw: ‘We willen terug, uit het Rijk’.

De desillusie wordt nog groter als de oorlog uitbreekt, waarvan de Sudeten-Duitsers juist hadden gehoopt dat Hitler die zou voorkomen. Fühmann beschrijft het uitbreken van die oorlog als een spookachtige stilte, die hij denkt te kunnen doorbreken door zich als vrijwilliger aan te melden. Franz beleeft een nieuwe ontgoocheling als hij na de mislukte aanslag van 20 juli 1944 op Hitler meemaakt hoe allerlei generaals slijmerige felicitatietelegrammen aan de Führer sturen om zichzelf van medeplichtigheid vrij te pleiten.

Als de Russen de oorlog lijken te gaan winnen, bereikt Franz’ apocalyps een climax. Hij probeert de naderende ondergang te ontkennen en hoopt dat alles wat hij meemaakt een droom is, waaruit hij zo dadelijk zal ontwaken om weer gewoon naar school te gaan. Niet dus.

Als een wapenbroeder hem tijdens hun vlucht voor de Russen bekent dat hij de oorlog als een verrukkelijke tijd heeft ervaren, snap je welke verleidingen een oorlog sommigen kan bieden en besef je ook de kracht van Franz’ relaas: ‘... eens als goden geleefd, als de farao’s over de rug van de slaven en het wit in het oog van de vijand gezien en het mes in zijn lichaam gejaagd en de vrouwen genomen en ze neergelegd, met de hand om hun keel, en champagne gedronken in Parijs en Bordeaux, waar de bordelen vloeren van spiegels hadden, ja, dagen als goden geleefd, dan heb je nergens spijt van!’