‘Ja, daar komen ze weer, verdomme, van alle kanten...’

Geef een achttienjarige een roman over de liefde en hij vindt het mooi. Geef een achttienjarige een roman over een liefde die een jeugd lang standhoudt en hij raakt vervuld van hoop. Geef een achttienjarige een roman over de liefde die een jeugd lang standhoudt en die eindigt in arsenicum en hij denkt het noodlot te hebben aangeraakt. Dus verslond ik De koperen tuin: ik begon op 7 juli en had het een dag later uit. Het boek was ook een opvoedingsdingetje, van vaderszijde: om het Friese, om de muziek, om het schaatsenrijden met de eigenlijk niet zo mooie Trix Cuperus. Het boek stond zo hoog in aanzien dat we het zelfs in Engelse vertaling op de plank hadden staan: The Garden Where the Brass Band Played, een titel die eendimensionaler is dan die van Vestdijk, maar misschien wel mooier.

Maar mooi is het woord niet, bij de tweede lezing van De koperen tuin. Het eerste wat me nu opvalt is dat de hoofdpersoon Nol Rieske zo’n gifkikker is. Met zijn agressieve jaloezie tegen zijn broer Chris, die hij bloedneuzen slaat en over wie hij later ‘in deze memoires’, zoals het ergens heet, vilein homoseksuele neigingen suggereert. En met zijn al dan niet verbale agressie tegen zijn vader, juristen, dienstmeisjes, liefdesrivalen of andere vertegenwoordigers van het verstikkende provincialisme van het stadje W. Slaan of schmieren, dat lijkt de vraag. Alleen zijn moeder, Trix en haar vader ontsnappen aan zijn weerzin. Het is een woede die hij deelt met Trix, die hij bewondert om de wijze waarop zij op straat vecht met leeftijdsgenoten. Haar agressie keert zich uiteindelijk tegen zichzelf. (En haar arsenicum leende Vestdijk ongetwijfeld van die andere suïcidale vrouw in de provincie, Emma Bovary).

En de muziek dan, hoor ik u denken? De schitterende kracht van de muziek die de katalysator is van de liefde tussen Trix en Nol, die de kunst symboliseert, het hogere, de ontsnapping aan het verstikkende stadje W.? Het knappe van De koperen tuin is juist dat de muziek nooit ongevaarlijk is. Bij de enige échte muzikant in het boek, vader Cuperus, gaat de muzikaliteit gelijk op met verwarring, angst en drankmisbruik – met zelfvernietiging. De muziek broedt de liefde uit – en doet het krioelen van de demonen. Zie de geweldige deliriumscène vlak voor Cuperus’ dood, waarin hij probeert de waarheid over opera en zijn dochter te vertellen, maar: ‘Ja, maar daar komen ze weer, verdomme, van alle kanten... Meneer kikker voorop, met die vervloekte parasol.’ De roman toont een verstrengeling van kunst en angst die de manisch-depressieve Vestdijk van binnenuit kende. De koperen tuin voert recht die duisternis in, op de heldere tonen van de Brass Band.