Het fatsoen van Frankrijk geëerd

Jean Jaurès

Hij was het eerste burgerslachtoffer van WOI, maar bovenal Frankrijks linkse boegbeeld. Bij Jean Jaurès stond niet ‘de arbeider’ maar ‘de mensheid’ centraal.

Het is een onvermijdelijke openingsscène voor een boek. Op 31 juli 1914 wordt de politicus en schrijver Jean Jaurès vermoord. In het Parijse café le Croissaint, op de hoek van Rue Montmartre en Rue le Croissaint, krijgt de vermaarde vredesactivist en socialist een kogel in zijn hoofd. Hij is juist bezig zijn collega’s van zijn krant L’Humanité te vertellen over zijn ‘definitieve’ artikel dat de Franse regering moet overtuigen zich niet te laten meeslepen in de komende oorlog. ‘Het wordt een soort J’accuse,’ zegt hij, ‘waarin ik de verantwoordelijken tot de orde roep’. Jaurès heeft de afgelopen jaren verschillende ministers van Defensie verbijsterd met zijn kennis van militaire zaken. Hij wéét wat de gevolgen van de technische vooruitgang zijn. Machinegeweren, gif en granaten zullen oneindig veel slachtoffers maken. Onder jongens uit het gewone volk.

De tijd dringt. Oostenrijk-Hongarije heeft Servië al aangevallen. De afgelopen dagen is Jaurès dag en nacht in touw geweest. De gevierde orator heeft in heel Frankrijk zalen toegesproken, zijn vingers blauw geschreven en is juist teruggekeerd uit Brussel voor een bijeenkomst van de Socialistische Internationale. Nu is hij even gaan zitten om wat te eten. Maar Jaurès is een publieke figuur en in conservatieve ogen de baarlijke duivel, die het land aan de Duitsers wil uitleveren. De geestelijk verwarde Raoul Villain neemt de rechtse oproep om Frankrijk te redden letterlijk, steekt zijn pistool door het gordijn dat het Café du Croissaint scheidt van de straat en doodt het linkse boegbeeld. Enkele uren daarna verklaart Duitsland Rusland de oorlog, en twee dagen daarna zijn ook Frankrijk en Duitsland in oorlog.

Raadselachtig

Met deze scène openen de Franse historici Gilles Candar en Vincent Duclert de eerste Franse wetenschappelijke biografie over Jean Jaurès (1859-1914), het eerste burgerslachtoffer van de Eerste Wereldoorlog. Zijn roem is eigenlijk wat raadselachtig, schrijven ze. Want Jaurès was nooit president of zelfs maar minister. De al vroeg als extreem intelligent bekendstaande jongen uit de middenklasse begon als leraar en eindigde als volksvertegenwoordiger.

Toch heeft Jaurès door zijn leven en werk een diepe indruk achtergelaten op de Europese geschiedenis, door zijn bereik onder het Franse volk en onder collega-socialisten uit Europa, door zijn boeken en artikelen en door de manier hoe hij mensenmassa’s kon inspireren. Franse presidenten bewijzen hem nog altijd eer.

Jaurès’ aanhoudende roem verklaren de auteurs door zijn toewijding aan de idealen van de Franse revolutie, door de manier waarop hij patriottisme en internationalisme wist te verbinden en door zijn inzet voor de emancipatie van mensen, niet van arbeiders. Maar zijn politiek was niet bij voorbaat door en door verlicht, blijkt uit deze biografie. Het duurde even voor Jaurès partij koos tegen het virulente antisemitisme in het Frankrijk van die dagen. Want de strijd ging immers om de arbeiders en de kleine boeren. Wat hadden Joden daar nou mee te maken, zeker als ze ook nog eens vaak deel uitmaakten van de bourgeoisie? Uiteindelijk stelde hij zich in de Dreyfuss-affaire vierkant op achter de valselijk van spionage beschuldigde joodse legerkapitein en diens verdediger Emile Zola, die door zijn pamflet J’accuse ook in de gevangenis belandde.

Kolonialisme

Net zo goed duurde het even voor Jaurès zich verzette tegen het kolonialisme. Als socialist dacht hij eerst dat verovering van overzeese gebieden kon helpen om daar de levensomstandigheden te verbeteren. Gaandeweg, op reis door Noord-Afrika en Latijns-Amerika, keerde hij zich faliekant tegen het imperialisme als een verlengstuk van het kapitalisme. Uiteindelijk verdiepte zowel het anti-kolonialisme als zijn inzet tegen het antisemitisme het humanistisch socialisme van Jaurès. Hij vertegenwoordigde met zijn overtuiging dat de mens meer is dan een economisch wezen het linkse alternatief voor het materialisme van de overtuigde marxisten.

Jaurès, die als uitblinker tussen grootheden als socioloog Emile Durkheim en filosoof Henri Bergson de Franse elitescholen doorliep, hechtte meer aan goed openbaar onderwijs voor iedereen dan aan een tamelijk abstracte revolutie. Ook vrijheid van godsdienstige dwang was voor hem belangrijker dan het vernietigen van de eigendomsverhoudingen, hij sloot graag politieke compromissen om de greep van de katholieke kerk op het Franse leven te verminderen. Tegelijkertijd liet hij zijn dochter vrij om eerste communie te doen – over zijn privéleven was Jaurès niet open, schrijven Candar en Duclert, maar het lijkt er sterk op dat hij zijn geluk meer in het publieke debat vond. Tegen zijn opponenten van links die hem al met al veel te genuanceerd vonden, zei Jaurès: ‘Jullie zouden me beter begrijpen als ik niet zo helder was’.

Platteland

Jaurès werkte altijd. Als hij niet las, schreef hij en als hij niet schreef, sprak hij. Hij ging regelmatig terug naar het Zuid-Franse platteland waar hij vandaan kwam, op verkiezingscampagne, om te schrijven Om het publieke debat te voeren begon hij in Parijs een eigen krant met de veelzeggende titel L’Humanité – niet ‘de arbeider’ maar de mensheid staat centraal. Hij was van jongs af aan wars van het idee dat mensen door klassentegenstellingen gebonden zijn, werknemers in Frankrijk beschouwde hij als Franse werknemers, die mede-eigenaar waren van de trotse erfenis van de Franse revolutie. En er moest een andere maatschappij komen via gelijke rechten voor mannen en vrouwen en vooral via een parlement dat mensen bevrijdde uit armoede en achterstand. Het is het soort ethisch patriottisme dat enige decennia later ook voorlieden van de Nederlandse SDAP als Stuuf Wiardi Beckman en Willem Banning tot de verbeelding sprak.

De actualiteit van de activist-filosoof Jaurès schuilt in zijn waardengeladen politiek, waarin de strijd voor bestaanszekerheid gelijk op gaat met de strijd om verheffing. Sociaal-democraten en hun linkse critici ploeteren vooral om de verzorgingsstaat overeind te houden, de een met wat meer verontwaardiging over inkomensongelijkheid dan de ander.

De ‘politieke waardigheid' van Jaurès, zoals Candar en Duclert het noemen, schuilt in een groter verhaal. Daarin zijn democratie en ontplooiing niet ondergeschikt aan sociaal-economische ambities, en gaat het er om via de politiek mensen meer grip op hun eigen leven te geven, nationaal en internationaal.

Onlangs riep staatssecretaris Jetta Kleinsma gepensioneerden op om met het oog op teruglopend inkomen een moestuintje achter de hand te houden. De ‘paysan cultivé’ die Jaurès naar eigen zeggen was, zou vast wel enig gevoel hebben gehad voor het beeld van oudjes die solidair staan te keuvelen rondom een rijtje winterpenen.

Het zou alleen niet in hem opgekomen zijn om individuen op te zadelen met de last van een vastlopend pensioenstelsel of vergelijkbaar instituut.