Eerst een vingerafdruk, dan op zoek naar tatoeages

In Hilversum wordt vastgesteld wie de slachtoffers zijn. Niet eenvoudig: het kan maanden duren.

Het CSI-complex. Zo noemt Arie de Bruijn, hoofd van het Landelijk Team Forensische Opsporing (LFTO) de verwachting bij het grote publiek dat de slachtoffers van de ramp met vlucht MH17 snel geïdentificeerd zullen worden. „De indruk bestaat dat wij binnen een kwartier of een uur in staat zouden zijn om DNA te verzamelen, maar dat kost veel meer tijd.” De Bruijn denkt dat het weken en misschien zelfs maanden duurt voordat alle stoffelijke resten zijn geïdentificeerd.

Hij sprak gisteren op een persconferentie in een zaal van een hotel in Bunnik over de vorderingen die zijn team tot dan toe had gemaakt. De Bruijn werd geflankeerd door collega’s uit Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Van de tweehonderd mensen die in de Jan van Oudheusdenkazerne in Hilversum aan het werk zijn, komen er tachtig uit het buitenland.

Van over de hele wereld zijn experts naar Nederland gekomen. Zo helpt bijvoorbeeld de chef van de DNA-sectie van Interpol mee aan de identificatie van de lichamen. Die worden volgens dezelfde procedure behandeld, zegt De Bruijn. „Wij openen een kist en leggen het lichaam daarna op een nette tafel. We maken dan eerst vingerafdrukken en kijken vervolgens naar het lichaam. Zien we tatoeages of kledingstukken die we kunnen beschrijven en fotograferen? Daarna wordt DNA afgenomen en gaat het lichaam naar een plek waar de tandartsen het gebit bekijken. De laatste stap is een kwaliteitscontrole. We checken dan of het proces goed is verlopen.”

Internationaal panel kijkt mee

Terwijl dit werk wordt gedaan verzamelen familierechercheurs in alle betrokken landen informatie die kan helpen bij de identificatie van de stoffelijke resten. Het gaat dan om foto’s, maar ook om DNA-materiaal van bloedverwanten. Als de forensisch onderzoekers deze gegevens weten te matchen met een van de lichamen in het mortuarium in Hilversum, leggen ze hun bevindingen voor aan een internationaal panel. Als dat overtuigd is van het forensisch bewijs, wordt het lichaam formeel geïdentificeerd en kan het worden vrijgegeven aan de nabestaanden.

De Bruijn vertelt dat wie dat wil, de overledenen kan zien. „De familierechercheur bereidt de nabestaanden hierop voor door ze te vertellen hoe het slachtoffer eruitziet en laat desgewenst ook een foto zien. Dan is het aan de mensen om te beslissen of ze willen dat de kist voor hen wordt geopend. Mijn ervaring is dat een dichte kist op termijn meer trauma’s geeft dan een open kist.”

Over de werkzaamheden van zijn forensische experts zei De Bruijn dat het verdrietig werk is, maar dat vooral de familierechercheurs het erg zwaar hebben. „Zij komen in aanraking met het echte verdriet.”

Zijn teamleden houden elkaar goed in de gaten. „Dat doen we door elkaar in de ogen te kijken en te vragen: hoe gaat het met je? Daarnaast is er elke avond een briefing waarin we onze ervaringen met elkaar delen. Ook lopen op de kazerne maatschappelijk werkers en een legerpredikant rond die ons ondersteunen.”