De poëzie van de grote stad, in kleur en zwart-wit

Boven: Saul Leiter, Taxi, 1957Onder: Ray Metzker,Light Lines, 1958 Foto’s Fotomuseum Den Haag

Soms is de stad stil, donker en ijzingwekkend netjes, zoals op de foto’s van de Duitse fotograaf K.H. Schmölz (1917-1986). Tegenover de chaos van de Tweede Wereldoorlog plaatste hij de naoorlogse vooruitgang – welvaart, moderniteit – centraal in beelden die geheel van mensen zijn gespeend. Schmölz’ hoofdpersonen zijn de gebouwen zelf. Ze staan aanlokkelijk te stralen in de duisternis: een bioscoop, een autoshowroom, een benzinestation, een concertzaal. Allemaal leeg maar o zo begeerlijk.

Met ruim zeventig foto’s is Schmölz een van de pijlers van de tentoonstelling De stad, de stilte en het gedruis in het Fotomuseum Den Haag. Die bevat rond de 150 foto’s van veertig fotografen, grotendeels afkomstig uit een veel grotere verzameling van een anoniem Nederlands echtpaar. Alleen al van Schmölz hebben zij rond de honderd originele afdrukken. Ze nodigden curator Wim van Sinderen uit om naar een thema van zijn keuze een expositie samen te stellen, hier en daar aangevuld met werk uit de eigen collectie van het museum.

Het thema dat Van Sinderen koos, ‘de stad’, was weliswaar geïnspireerd door het werk van Schmölz, maar biedt vervolgens alle ruimte aan alle soorten fotografie uit de afgelopen halve eeuw. Naast het strak geregisseerde van Schmölz vind je de straatfotografie met Daido Moriyama’s snapshots van Tokio en Ed van der Elskens vetkuiven en suikerspinnen. De kleurenfotografie verschijnt ten tonele met het aardbeien- en slagroomtoetje in hoogglans technicolor van Martin Parr, de documentaire verhalen worden verteld met de ontroerende portretten van de New Yorkse daklozen van Dana Lixenberg.

Van stilte tot gedruis, de tentoonstelling waaiert net zo vrij en chaotisch en kleurrijk en fragmentarisch uit als het stadsleven zelf. Van Sinderen noemt het zelf „een losjes, bijna jazz-achtige improvisatie op een thema”. Als bezoeker moet je op je gevoel varen, want duiding of betoog of chronologie is er niet, behalve een summiere inleiding en wat citaten op de muren van uiteenlopende figuren als Bono en Robert Musil en fotografe Diane Arbus die zegt: ‘I have never taken a picture I’ve intended. They’re always better or worse.’ Onwillekeurig vraag je je af: haar portretten die hier hangen, zoals die van een Puertoricaanse huisvrouw en een burlesque danseres, zijn die better or worse?

Nog sprekender dan de naoorlogse reeks van Schmölz heeft de Amerikaanse fotograaf Lee Friedlander het stedelijke gevoel te pakken met zijn serie The New Cars. Het tijdschrift Harper’s Bazaar gaf Friedlander opdracht om de nieuwe auto’s van 1964 te fotograferen. Zoals voor Schmölz de gebouwen de hoofdrol speelden, waren dat voor Friedlander deze auto’s. Hij plaatste ze als quasi-onopvallende passanten in het gruizige stadsdecor van autosloperijen, of achter de glazen voordeur van een diner, of terloops half in beeld langs de stoep.

De autofabrikanten waren niet tevreden en het tijdschrift heeft ze niet afgedrukt. In het museum is te zien dat ze ongelijk hadden: Friedlander heeft juist van de auto’s de ongekroonde koninginnen gemaakt van de Amerikaanse stad van hun tijdperk.

In 1958 maakte Ray Metzker een foto in Chicago, Light lines geheten. Zo simpel als het onderwerp is – de benen van twee mensen die oversteken en de schaduwen die ze op het asfalt werpen – zo vol optimisme en ongekende mogelijkheden is die foto. De Duitse fotograaf Michael Wolf laat in Azië een andere wereld zien, met zijn beelden van forensen die tegen de ruiten vol condens van de metro worden geplet en hun reis in lijdzaamheid ondergaan. De stad bevrijdt, de stad bedrukt.