‘De ideale schrijfhouding voor mij is klooien, zoals ik als kind klooide’

Haar derde roman is een ideeënbouwwerk genoemd, waarin het draait om laat 19de-eeuwse uitvinders, om film en verdwijning. ‘Uitvinders zijn een soort grote kinderen die van alles en nog wat in elkaar schroeven.’

Marente De Moor: ‘Veel beginnende schrijvers maken zich drukker om de roem die het schrijven wellicht oplevert, dan om het schrijven zelf’ Foto Katrijn van Giel

Wantrouwend kijkt Marente de Moor naar de telefoon die het interview moet vastleggen. Staat-ie wel aan? Hoe weet je nou zeker of-ie het nog wel doet? Voor hetzelfde geld zit je uren voor niks te praten. Ze vertelt over de keer dat ze als journalist iemand interviewde en bij thuiskomst niets op het opname-apparaat aantrof. „En je geheugen is dan helemaal blanco hè, er schiet je helemaal niets meer te binnen van waar je het over hebt gehad. Want je hebt volledig op de techniek vertrouwd.”

De stap naar Roundhay, tuinscène is vanuit deze vaststelling snel gemaakt. De Moors derde roman, die afgelopen mei op de shortlist van de Libris Literatuurprijs prijkte, draait grotendeels om één van die technische hulpmiddelen waarmee, of waarin we ons leven vanaf het einde van de negentiende eeuw zijn gaan vastleggen: de film. De man die in de roman verantwoordelijk is voor de uitvinding van deze vorm van documentatie, Valéry Barre, laat De Moor ironisch genoeg al in de eerste zin verdwijnen. Wat volgt is een vertelling over jaloezie, vernieuwingsdrift en nagedachtenis, maar ook een vertelling met een sterk cultuuranalytische component, die de lezer bijvoorbeeld laat peinzen over de vraag of we in onze huidige beeldcultuur nog wel zoiets als verandering willen accepteren.

Achterin uw roman geeft u in een paar zinnen het leven van Louis Le Prince weer, de man op wie u Valéry Barre baseerde. Wie dat stukje tekst leest ontkomt bijna niet aan de indruk dat het die anekdote is die u tot het schrijven van ‘Roundhay, tuinscène’ moet hebben bewogen.

„Roundhay, garden scene uit 1888 van Le Prince is de oudst bewaard gebleven film, en hij intrigeerde me vanaf de eerste keer dat ik hem zag. Hij duurt maar twee seconden, maar er kleeft iets sinisters aan. En als je dan ook nog leest dat vrijwel iedereen die er in figureert daarna is overleden en dat de maker ervan spoorloos is verdwenen, terwijl hij zich zijn hele leven heeft ingezet om de sporen van het leven te bewaren, toen wist ik inderdaad dat ik iets te pakken had.”

U presenteert Barre als iemand die angst heeft voor wat hij uitvindt.

„Het leek me interessant om te spelen met het gegeven dat we ons altijd te laat realiseren wat we op de wereld brengen. Eerst doen we een technologische vondst, en zijn we trots, en pas veel later staan we stil bij de gevolgen ervan. Dat was zo na de introductie van de atoombom, en ook iemand als Michail Kalasjnikov, die het automatische geweer ontwikkelde, kreeg aan het eind van zijn leven wroeging.

„In mijn roman probeert Barre te vluchten voor de drang tot bestendiging, die eenvoudiger is gemaakt door zijn eigen ontdekking. Hij merkt op dat er door zijn ontdekking geen grasspriet meer zal zijn die niet gedocumenteerd is, en geen vogel die niet is gefotografeerd. Barre voorziet het tentoongestelde leven waar we nu middenin zitten.”

Bent u tijdens uw voorbereiding ook werkelijk op teksten van Le Prince of andere uitvinders gestuit waarin dit soort twijfels geuit werden?

„Nee, dit is pure fictie, ik heb in elk geval niets kunnen vinden waarin dit naar voren kwam. Ik heb met Barre’s twijfels ook meer uit willen spelen dan een vorm van moralisme. Als schrijver ken ik zijn twijfels, die woedende, jachtige strijd met een idee in je kop dat per se gerealiseerd moet worden. Je kunt zo’n idee haten, om wat het met je leven doet, omdat alles moet wijken zolang het niet gematerialiseerd is.”

Wat maakte het uitvindersklimaat van de late negentiende eeuw voor u zo geschikt voor een roman?

„Het doel van Le Prince om een film geprojecteerd te krijgen heeft hem ontzettend gefrustreerd. Hij werkte in Europa en had veel eerder naar zijn familie in Amerika moeten terugkeren, maar hij bleef maar zitten aanklungelen, omdat datgene wat filmprojectie mogelijk kon maken, namelijk celluloid, nog uitgevonden moest worden.

„De levens van de uitvinders uit die tijd staan bol van het drama. Iemand als Meucci bijvoorbeeld, die zijn uitvinding van de telefonie maar niet geregistreerd kreeg omdat hij een ziekelijk mannetje was met weinig kennis van het Engels. De patentenoorlog die toen woedde, die er bijvoorbeeld voor zorgde dat niet Le Prince maar Edison lange tijd als uitvinder van de film werd gezien, roept bovendien de vraag op in hoeverre zoiets vluchtigs als een idee iemand kan toebehoren. Wanneer tegelijkertijd dezelfde gedachten rondzweven boven ontwikkelingen die we allemaal ondergaan, mag dan één iemand zijn naam boven een idee zetten? Edison was een meester in dat spel van toe-eigenen. Hij keek ontdekkingen af en liet deze door een handlanger verfijnen en patenteren. En hij maakte veelvuldig gebruik van het caveat, waarin je eigenlijk een intentie liet beschermen, het feit dat je in een bepaalde richting zat te denken. Het fysieke resultaat van dat idee was er dus nog niet eens.”

U ziet uitvinders eerder als ondernemers dan als wetenschappers?

„Ik heb om die reden de roman ook zo doorsneden met reclame-boodschappen. Alles wat uitgevonden wordt, moet aan de man gebracht worden en dat brengt veel ruis met zich mee. Ik ben een tijdje helemaal in de ban geweest van Tel Sell, dat tv-programma waarin allerlei technische snufjes aangeprezen werden. Volstrekt overbodig, dacht ik altijd, wanneer er weer iets nieuws gepresenteerd werd. Maar dat was even buiten het wonder der indoctrinatie gerekend, want al heel snel raakte ik er van overtuigd dat dat ding op tv nu net datgene was waar het me altijd al aan had ontbroken. Ja! Ik wil ook een grasmat in mijn trappenhuis! Daar word ik gelukkiger van!

„Die uitvinders zijn ook een soort grote kinderen natuurlijk, die van alles en nog wat in elkaar schroeven. Edison maakte een sprekende pop, om maar wat te noemen. Voor mij is de ideale schrijfhouding: lekker klooien zoals ik als kind klooide. Wanneer je gaat denken: ‘dit boek gaat de mensheid veranderen’, dan blokkeert alles.”

Dat moet uw verhouding tot die uitvinders nogal dubbel maken. U waardeert ze vanwege hun kinderlijke drift om te experimenteren...

„....en tegelijkertijd zorgen hun ontdekkingen ervoor dat we ons allemaal veel minder kind voelen. Techniek sluit het toeval uit, het risico zit erin dat het leven er minder onbevangen door wordt. Ik laat Barre ook opmerken dat hij blij is dat hij nog een tijd heeft meegemaakt waarin zijn uitvinding er niet was. Ik geloof dat we ons tegenwoordig, net als in de late negentiende eeuw uit de roman, in een tijd bevinden die gekenmerkt wordt door een enorme technologische stroomversnelling. En zo’n periode gaat altijd gepaard met een diep gevoel van melancholie. Want bij elke technologische aanwinst gaat er ook iets verloren.”

Wat maakt de introductie van film cultuurhistorisch zo interessant?

„Filmen was aanvankelijk een dienende bezigheid. Men wilde uitpluizen hoe beweging in elkaar zat, men wilde iets weten wat we nog niet wisten. Het maken van een film voor een zaal mensen was iets wat veel later kwam omdat het celluloid dat nodig was om beeld te projecteren nog niet bestond. Toen dat er eenmaal wél was heeft het een kentering veroorzaakt, omdat sindsdien niemand meer voor zichzelf filmt of zelfs fotografeert. Elke selfie, elk shot maken we om zo snel mogelijk te delen. Met die mogelijkheid van publicatie denk je dus altijd twee stappen vooruit.”

Wat zijn hiervan de gevolgen?

„Dat het hier en nu verdwijnt, hoe zweverig dat ook klinkt. Je bent op het moment dat iets plaatsvindt al bezig met de toekomst, met hoe het overkomt bij een publiek. Je krijgt een Droste-effect van een afbeelding die naar een afbeelding van een afbeelding verwijst. Het nog niet-tentoongestelde leven is iets waar ik heel krampachtig naar op zoek ben, eerlijk gezegd. Ik denk dat ik de enige niet ben. Maar dat is iets dat in rap tempo verdwijnt, omdat alles herleid kan worden naar een beschrijving of een afdruk van iets.”

Wat betekent het ‘tentoongestelde leven’, zoals u het noemt, voor een schrijver?

„Ik merk dat veel beginnende schrijvers zich drukker maken om de roem die het schrijven wellicht oplevert, dan om het schrijven zelf. Dat is nu eens een voordeel van opgroeien in een artistiek milieu: mijn zus (beeldend kunstenaar Lara de Moor, SK.) en ik waren als kind al omgeven door succesvolle kunstenaars, musici en componisten voor wie die roem een vervelende bijzaak was van datgene waar het ze werkelijk om te doen was: lekker iets moois maken.

„Toen ik een paar jaar geleden door een camerateam werd opgezocht omdat ik met De Nederlandse maagd op de shortlist van de AKO-prijs stond, wilde ik niet dat ze het kasteel filmden waarin ik toen woonde, omdat ik bang was voor de beeldvorming die er uit zou ontstaan. Ik word bijna nooit geïnterviewd, omdat journalisten denken: ‘laat die maar lekker zitten daar in Zuid-Limburg’. Kijk, dat is nou precies wat ik wil.”

Iemand die ‘terug komt rennen met de ogen van een spookdiertje’. Bakkebaarden die ‘uit iemand groeien als insectenpootjes’. Vanwaar uw keuze om het gedrag van uw personages zo vaak in een dierenmetafoor te vangen?

„Vooral omdat ik me stoor aan de ondergeschikte rol die dieren in de literatuur toebedeeld krijgen. Ze worden meestal dienend gebruikt, om een mens een bepaalde kleur te geven. Zo van: ‘hij was zo’n sul die iedere avond een stukje met de hond ging lopen’. Maar ook dieren van dezelfde soort hebben verschillende karakters.

„Nee , ik vind het een gebrek aan verbeeldingskracht als een personage moet kunnen spreken om opgevoerd te kunnen worden. En ze zijn een ontzettend dankbaar personage. Ik kan een dier opvoeren en het een hoofdstuk later zonder toelichting laten verdwijnen zonder dat ook maar één lezer er over valt. Nou ja, een Duitse lezeres sprak me er over aan dat ik ergens een konijn had geïntroduceerd en daar verder geen woord meer aan had vuilgemaakt. Dat vond ze maar niks. Ik zei tegen die vrouw: ‘in mijn volgende boek komt dat konijn weer terug, dus leest u dat ook maar’.”

Ik krijg de indruk dat u die dierenmetafoor gebruikt om duidelijk te maken dat uw hemel bestormende personages aan zelfoverschatting lijden.

„Het is een beetje dubbel. Aan de ene kant probeer ik het voor de lezer gerieflijk te maken door dieren of voedsel in de tekst te verwerken, omdat dat nu eenmaal zaken zijn die een direct appèl doen op ons limbische systeem, ons dierenbrein. Maar tegelijkertijd schuurt een tekst die én over techniek gaat én over dieren, want de kloof daartussen is ontzettend groot. Je merkt dat dieren vaak geen enkele boodschap hebben aan wat wij allemaal uitvinden. Alles wat wij maken, maakt dieren vaak kapot. Mijn hond is zichtbaar teleurgesteld als ik mijn smartphone pak of de tv aanzet. Ik zette vroeger zo’n plastic rad in een hamsterkooi, en daar was de volgende dag alleen gruis van over.”