Pelgrimstocht naar een spijkerbed

Morgen is het precies een jaar geleden dat de Amerikaanse kunstenaar Walter De Maria overleed. Zijn meesterwerk, The Lightning Field in New Mexico, is een bedevaartsoord voor kunsttoeristen geworden.

Walter De Maria, The Lightning Field, 1977. Permanente installatie in het westen van New Mexico Foto’s John Cliett. Copyright Dia Art Foundation

Het klinkt als een scenario voor een slechte horrorfilm. Vijf wildvreemde mensen worden 24 uur achtergelaten in een blokhut in de woestijn van New Mexico, op een uur rijden van de bewoonde wereld. In de hut staan een koelkast met voedsel en een kachel met hout. Er is geen mobiel bereik, geen tv of radio. Er liggen geen boeken, er hangen geen gordijnen voor de ramen. Wel is er een veranda die een panoramisch uitzicht biedt op de bergkammen aan de horizon. Vluchten heeft geen zin. In welke richting je ook loopt, je stuit op een oneindige leegte.

Maar The Lightning Field, zoals dit afgelegen stuk woestijn heet, is geen decor voor een horrorfilm. Het is een van de mooiste kunstwerken op aarde. De Amerikaanse kunstenaar Walter De Maria (1935-2013) creëerde het in 1977, nadat hij jarenlang op zoek was geweest naar een ideale locatie om de bliksem te aanschouwen. Op een hoogvlakte waar het relatief vaak onweert, plaatste hij 400 roestvrijstalen palen van een meter of zes hoog. Bezoekers, maximaal zes per dag, zijn verplicht een etmaal in de blokhut te verblijven die naast het kunstwerk staat. Als ze geluk hebben, zorgt de inslaande bliksem voor een onvergetelijk schouwspel.

Walter De Maria stierf een jaar geleden op 77-jarige leeftijd. Tijdens zijn leven was The Lightning Field al uitgegroeid tot een icoon van de Amerikaanse Land Art – de beroemde foto van de inslaande bliksem sierde de kaft van Robert Hughes’ standaardwerk American Visions. Maar sinds zijn overlijden is The Lightning Field helemaal een bedevaartsoord voor kunsttoeristen geworden. Nieuwssite Artnet plaatste het werk eerder dit jaar bovenaan de lijst van de tien mooiste ‘kunstpelgrimages’ ter wereld, samen met onder meer Robert Smithsons Spiral Jetty en de Cadillac Ranch van Ant Farm.

Spookstadje

Een pelgrimstocht naar The Lightning Field begint met een mailtje naar de DIA Art Foundation, de New Yorkse stichting die het kunstwerk beheert. Op eigen gelegenheid afreizen is niet mogelijk; een reservering (kosten 150-250 dollar per persoon, afhankelijk van het seizoen) is vereist. Op de afgesproken datum word je om twee uur ’s middags verwacht in Quemado, een stoffig woestijndorp met 324 inwoners op drie uur rijden van Albuquerque.

De beleving van The Lightning Field begint al met de roadtrip ernaartoe. De tocht naar Quemado leidt door een van de meest verlaten delen van Amerika, een gebied waar je urenlang kunt rijden zonder ook maar een tegenligger tegen te komen. Eindeloze kaarsrechte wegen doorklieven de heuvels met haarscherpe sneden. Op de toppen sneeuwt het – dit deel van New Mexico ligt op zo’n 2.200 meter hoogte – terwijl in de dalen grote groepen runderen knagen aan het dorre, gele woestijngras.

Met het binnenrijden van Quemado neemt het horrorfilmgevoel alleen maar toe. Het dorp ziet eruit als een spookstadje, met autowrakken die langs de weg zijn achtergelaten en uithangborden die zo verbleekt zijn door de zon dat ze onleesbaar geworden zijn. Ook het kantoortje van DIA oogt vervallen. Binnen staan zes stoeltjes onder een klok. Op tafel ligt een gastenboek en een briefje met de mededeling dat de chauffeur ons om 14.30 uur komt oppikken. Mijn reisgenoot Erick en ik zijn de eersten, en wachten met spanning af wie onze medebezoekers zullen zijn.

Vlak voor de deadline komen ze binnenstormen. „Zijn we nog op tijd?”, vraagt een woest uitziende Brit met lange rode baard en tatoeages in zijn gezicht. „We waren verdwaald.” Colin is beeldend kunstenaar en reist samen met zijn partner Maurice, een Afro-Amerikaanse jurist uit Louisiana, langs de grote landschapskunstwerken van Amerika. Niet veel later voegt ook Daniel zich bij het gezelschap. Hij is kunstliefhebber en runt een bistro in San Francisco. The Lightning Field stond al jaren op zijn ‘bucket list’, zegt hij. „Nu gaat het er eindelijk van komen.”

Onze chauffeur, Robert Weathers, ziet er met zijn cowboyhoed en zijn gekromde benen uit als een personage uit een western. Hij zat nog op de middelbare school toen De Maria hem in 1977 inhuurde om de 400 palen te installeren. „Walter was een aardige vent”, herinnert hij zich. „Een stille man, prettig om mee te werken.” Inmiddels is Weathers alweer bijna veertig jaar de conciërge van The Lightning Field. Zijn vrouw maakt de enchilada’s die in de koelkast staan en verschoont de lakens op de bedden. Hij zorgt voor het onderhoud aan het kunstwerk en vervangt de palen die door de bliksem getroffen zijn. Vorig jaar is het kunstwerk grondig gerestaureerd en heeft hij de fundering van de palen verstevigd. „Walter heeft daar nog zijn goedkeuring aan gegeven”, vertelt Weathers. „Twee weken later was hij dood.”

Na een klein uur rijden over naamloze zandwegen komen de eerste palen in zicht. The Lightning Field heeft afmetingen van exact een mijl bij een kilometer, maar de ware grootte van het kunstwerk is nog niet te bevatten. Op dit uur van de dag nemen de palen als kameleons de kleur aan van de omgeving, waardoor de sculptuur zich lijkt te verschuilen in het overweldigende landschap. In feite is The Lightning Field een reusachtig spijkerbed. De palen staan in een rechthoekig grid en zijn zo strak uitgelijnd dat wanneer je er een denkbeeldige glasplaat op zou leggen, die precies waterpas zou zijn.

„Ga vooral ronddwalen”, zegt Weathers als hij ons afzet bij de blokhut. „Als je om het werk heen loopt, ben je ongeveer twee uur onderweg. Je zult niemand tegenkomen.” Op de houten tafel ligt, naast een schaal met vuurrode appels, een beknopte uitleg van de kunstenaar. „The Lightning Field is een sculptuur waarin je kunt wandelen en waarnaar je kunt kijken. Ik raad je aan om zoveel mogelijk tijd alleen in het werk door te brengen – dwalend, zittend, je eigen weg zoekend, je eigen plaats – in ieder geval een uur voor zonsondergang tot de duisternis invalt, en bij zonsopgang.”

Wat onwennig waaieren we alle vijf een andere kant op. De woestijngrond is knisperig als verse sneeuw. Er liggen koeienvlaaien en konijnenkeutels, hagedissen schieten links en rechts weg. Al na enkele meters raak je ieder gevoel van oriëntatie kwijt. Het is moeilijk in te schatten hoe groot het kunstwerk precies is, waar het ophoudt en waar jij je bevindt. Overal zie je corridors van palen die als avenues door het landschap leiden, als in een moderne metropool of een rechttoe-rechtaan geplant bos. De stilte is overdonderend. Je bent je bewust van je eigen ademhaling, je hoort hoe je hart je bloed rondpompt. En als een vogel voorbijvliegt, schrik je van de herrie van het geklapwiek van zijn vleugels. Je zintuigen lijken meer op scherp te staan dan anders.

Aan het eind van een van de palenrijen zie ik Maurice, die een kudde herten heeft gespot en daar achteraan loopt. Daniel wandelt meer contemplatief richting de Sawtooth Mountains, de gekartelde bergkam die het kunstwerk aan de oostkant begrenst. En aan de zuidzijde zigzagt Colin als een bezetene tussen de palen door, struikelend over de zwarte boerka waarin hij gekleed gaat. Hij is bezig met een performance, vertelt hij bij terugkomst, en wil „ervaren hoe het is om als vrouw zo’n mannelijk en minimalistisch kunstwerk te betreden”. Intussen pakken in de verte donkere wolken zich samen en lijkt er regen te komen. Misschien hebben we geluk, en gaat het inderdaad onweren.

Aan het eind van de middag druppelt iedereen de blokhut weer binnen. De meegebrachte biertjes en flessen wijn worden gedeeld. Colin draait een joint. Goede gesprekken komen los op de veranda, over kunst, over ambities en levensdoelen. En als we aan het begin van de avond met zijn vijven richting de ondergaande zon wandelen, is het alsof we elkaar al jaren kennen. Gearmd zien we hoe het kunstwerk langzaam tot leven komt. Hoe de schaduwen langer worden, hoe de palen oranjerood opgloeien en zich losmaken van hun groengele achtergrond. Hoe de sterren een voor een in de diepblauwe hemel verschijnen. Van een afstandelijke, rechtlijnige sculptuur is The Lightning Field opeens een romantisch kunstwerk geworden.

Kathedraal

Colin zegt dat niets hem had kunnen voorbereiden op de magie van dit landschap. „Het licht is hier zo veel helderder dan in Londen.” Daniel staart euforisch in de verte. „Het is zo mooi. Ik ben niet religieus, maar wat mij betreft is The Lightning Field de kathedraal van de twintigste eeuw.” Maurice vindt het „nogal” een onwerkelijke ervaring. „Het is net of we op een andere planeet terecht zijn gekomen.”

’s Nachts zie ik vanuit mijn roestige spijlenbed een fabelachtige sterrenhemel door het open raam. Als om een uur of zes de zon opkomt, schiet ik weer naar buiten. In het ochtendgloren volg ik de kronkelige paadjes die de koeien en de herten door het kunstwerk hebben gemaakt, zich niets aantrekkend van het rigide raster. De bergen in de verte hebben onwerkelijke pastelkleuren aangenomen, als in de schilderijen van Georgia O’Keeffe. De lucht is wolkenloos en de kans op onweer lijkt nu echt verkeken. Maar gek genoeg voelt dat niet als een teleurstelling. The Lightning Field gaat over zoveel meer dan over de bliksem. „Het licht”, schreef Walter De Maria in 1980 in het tijdschrift Artforum, „is net zo belangrijk als de lichtflits.”

In de verte klinkt gelach. Flarden van gesprekken worden meegedragen door de wind. Zodra ik weer in de buurt van de blokhut kom, ruik ik de geur van verse koffie en gebakken eieren. Ik bedenk me dat het sociale karakter misschien wel het mooiste aspect is aan dit kunstwerk. Niet voor niets stelde De Maria strikte eisen aan het aantal bezoekers. „De ratio van mensen in de ruimte is een essentieel onderdeel van het werk”, schreef hij. „Een klein aantal mensen in een heel grote ruimte.”

Ik had altijd gedacht dat The Lightning Field een koel, abstract, minimalistisch kunstwerk was. Het bleek een warme, sociale sculptuur te zijn. Van het horrorfilmscenario is niets terechtgekomen.