Meerstemmig gezongen Molukse heimwee

De liedjes die Molukkers thuis zingen, de lagu-lagu, vormen een oude orale liedtraditie. Er was een buitenstaander voor nodig, de Nederlandse gitarist Gerrit de Boer, om deze nostalgische keukentafelliedjes te vast boekstaven.

Gitarist Gerrit de Boer kreeg van Molukse families schriftjes met lagu-lagu-liedjes Foto Merlijn Doomernik

Dit overkomt me niet nog een keer, dacht Gerrit de Boer toen hij op een familiefeest van zijn Molukse vriendin niet kon meedoen met de liedjes aan de keukentafel. „Iedereen zong zo vanzelfsprekend en meerstemmig mee, maar het hele genre was me totaal onbekend. Ik kende geen enkele titel en ik heb toch aardig wat volksliedjes gehoord door de jaren heen.”

Gitarist De Boer heeft zich na zijn conservatoriumopleiding altijd veel op wereldmuziek gericht. Maar van lagu-lagu, zoals de Molukse liedjes bleken te heten, had hij nog nooit gehoord. Niet zo vreemd, bleek toen hij met een aantal genoteerde titels zijn research begon. De liedjes worden van generatie op generatie doorgegeven via beduimelde familieschriftjes, cassettebandjes en vooral op gehoor. Eerder zijn lagu-lagu nooit goed in notenschrift vastgelegd of gepubliceerd, terwijl ze op elk Moluks feest worden gezongen. Naast het eten en de taal vormen de liedjes de bindende factor met het moederland.

Het boek met honderd lagu-lagu die De Boer volledig naploos en uitschreef, blijkt in een behoefte te voorzien. De derde en vierde generatie Molukkers kent steeds minder liedjes en ervaart dat als een gemis. De liedjes zijn die van een volk op drift. Daarmee is het niet alleen Moluks, maar ook Nederlands erfgoed. Als Molukkers vanaf eind negentiende eeuw niet massaal in het koloniale leger hadden gediend, dan hadden de lagu-lagu niet zo bol van de heimwee gestaan.

De Boer slaat een oud schrift open met daarin de teksten van tientallen lagu-lagu. Soms getypt op een typemachine, vaak opgeschreven in verschillende schoolhandschriften. „Dit is van de familie Mailoa. Ruth Mailoa, die het mij leende, nam het schrift steeds mee naar familiefeesten en dan werden er nieuwe liedjes bijgeschreven.” In de tekst staan veel doorhalingen. „Het is meestal de oma of opa die vindt dat een bepaald woord anders moet of dat de gitaarakkoorden te modern zijn. De liedjes werden op elk eiland en in elke familie weer anders gezongen.”

Het was voor De Boer dan ook lastig om te beslissen welke versie hij opnam in zijn bundel. Zijn voornaamste bron was YouTube. „Van een traditioneel welkomstliedje als Hio Hio vond ik zo al zes, zeven versies: rock-’n-roll, Latin, karaoke. Ik vond ook veel tussen de vakantievideo’s van toeristen die bij een feest op de Molukken waren geweest. Uit al die verschillende versies blijkt dat het een levende cultuur is, maar heel gesloten. Buiten de Molukse gemeenschap zijn ze onbekend. Het is echt van de feesten en de keukentafel.”

De liedjes kwamen mee met de Molukkers die zestig jaar geleden naar Nederland kwamen en kregen hier een andere lading, legt Wim Manuhutu uit. Hij hielp De Boer bij zijn research. Manuhutu is historicus en muzikant en was directeur van Moluks Historisch Museum in Utrecht. „Het zijn liedjes over het dagelijks leven op de eilanden: vissen, roeien, flirten, het land verbouwen, maar de meeste die hier populair zijn gaan over heimwee.” Dat blijken echter geen originele liedjes van de Nederlandse Molukkers over hun verlangen naar de eilanden. Nee, de Molukkers raakten al veel eerder op drift door de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Manuhutu: „Neem het liedje Asese, dat is een verbastering van het woord marechaussee. Zo heette het Nederlandse elitekorps waarin veel Molukkers dienden. Ze moesten vechten in bijvoorbeeld Atjeh, een paar duizend kilometer van huis. In de tekst wordt gezongen: ‘Ik heb getekend voor militaire dienst, maar ik wil naar huis’. Die liedjes kregen in de jaren vijftig dubbele lading voor de eerste generatie Molukkers die hier zat.”

Manuhutu is van de tweede generatie. „Voor ons waren het oude liedjes, de Molukken waren ver weg, een ingewikkelde en politiek beladen reis waarvoor je jaren moest sparen.” Tegenwoordig is het reizen makkelijker, met als gevolg dat de derde generatie vaker naar de Molukken gaat dan de tweede. Manuhutu: „Voor hen zijn de lagu-lagu een belangrijk herkenningspunt als ze daar zijn. Ze kennen het van thuis. Ze delen iets met de mensen daar, terwijl ze nauwelijks Maleis spreken.”

Uit het schrift van de familie Mailoa valt een vel met een vreemde muzieknotatie. De Boer: „Kijk, dit is een cijfersysteem gebaseerd op de toonladder do re mi fa sol. Dat wordt vaker gebruikt in kerkmuziek.” Vanaf de zeventiende eeuw zijn de Molukken voor een groot deel gekerstend door Portugezen en Nederlanders. De lagu-lagu gaan uit van de westerse toonladder en liggen daarom makkelijk in het gehoor. Ook de begeleidingsinstrumenten als viool en gitaar komen uit Europa. Manuhutu: „Het is te vergelijken met liedjes van zwarte Amerikanen, gebaseerd op gospel. We zingen lagu-lagu meerstemmig, zoals in de kerk, maar met wereldse thema’s.” Dat is ook wat De Boer zo verraste tijdens de familiefeesten. „Ze zingen zonder problemen drie- of vierstemmig.”

De Boer heeft het boek in eigen beheer uitgegeven. Ze worden afgenomen door opa’s en oma’s om herinneringen op te halen en om aan kleinkinderen te geven. In feite is het een voortzetting van de familieschriftjes. Niemand weet precies hoeveel lagu-lagu er zijn. De Boer selecteerde er honderd, maar liet er ook vele liggen. „Toen ik van de week dit schriftje ophaalde, bladerde ik het door met de eigenaresse. Ze zei bij een stuk of tien liedjes ‘Ken je deze niet?’ en zong het prachtig uit haar hoofd. Ik heb wel zin om binnenkort aan een deel 2 te beginnen.”