In de trein

foto anp

Een dag van Nationale Rouw, ik wist niet wat ik me erbij moest voorstellen. Er was geen idee over de invulling, ik had niets bijzonders gepland. Ik kende de behoefte niet om de tragedie met wildvreemden te verwerken.

Rond half vier nam ik de trein vanaf Amsterdam Amstel naar Arnhem, dat stond al voor er een vliegtuig was neergeschoten op het programma. Ik ging zitten op zo’n vierzitsbank. Tegenover een mevrouw met grijs haar die in de Viva las, op het bankje aan de overkant lag een Chinees te slapen. Daar weer tegenover twee meisjes van een jaar of veertien, verwikkeld in een discussie of Justin Bieber wel of niet ondergoed van Calvin Klein ging promoten.

Wat waren dit voor mensen?

Hadden we iets gemeen, behalve dat we – ‘schouder aan schouder’, zoals de koning het in Nieuwegein zo mooi had gezegd – de slachtoffers zouden gaan herdenken? Niet veel, net zo weinig als de meeste passagiers van vlucht MH17 met elkaar hadden, waarvan de lichamen een half uur later zouden aankomen in Eindhoven.

Die vrouw, was ze niet veel te oud om de Viva te lezen, was je met overal grijs haar niet veel meer aan de Libelle toe? Die Chinees, dat was vast een kok in een Chinees restaurant, er zaten vetvlekken op zijn blouse. Hard werken voor te weinig geld, hij had groeven in het gezicht. Een van de meisjes had een tatoeage aan de binnenkant van haar pols, een vlinder. Ze was er tevreden over, hij glom zo mooi in de zon. Haar vriendin dacht er ook over na. Een tekst op haar rug kon mooi zijn, ze wist nog niet wat voor tekst.

In Utrecht stapte er niemand uit, er kwamen er twee bij: een man die meteen zijn laptop openklapte en een beller, een jongen met een petje op het hoofd.

De vrouw met de Viva peuterde in haar neus. Ze groef diep, meerdere malen, waarna de vinger in het tijdschrift verdween. Zag ze mij niet, of kon het haar gewoon niet schelen dat ik haar nu vies vond?

Er klonk een stem, een man, door de intercom.

„In verband met de vliegramp zullen we om vier uur stoppen.”

Na een korte stilte: „Voor een moment van bezinning.”

Op de mededeling werd niet gereageerd. Een van de meisjes blies een roze bel van haar kauwgom die in haar gezicht klapte, haar vriendin kreeg de slappe lach. De jongen met het petje hield op met bellen, hij lag nu languit en staarde uit het raam.

We minderden vaart nu, even voor station Driebergen-Zeist stonden we dan stil. Op de displays verscheen een getekend wit mannetje dat de vinger aan de mond hield. De vrouw las door in de Viva, de Chinees sliep door, de meisjes hielden hun mond, de jongen met het petje lag en staarde uit het raam. Buiten graasden koeien, ze leken heel dichtbij. De man klapte zijn laptop dicht en ging in het gangpad staan.

We zaten gewoon in een trein die stil stond in een weiland, en waar een man in het gangpad was gaan staan.

Even later vertrokken we weer, met piepende wielen.

De eerste sms’jes kwamen binnen.

Op de redactie van nrc.next stonden ze allemaal rondom de televisie, meldde hoofdredacteur Hans. Iedereen was er muisstil. De officiële stilte moest er nog beginnen, bij ons was hij al geweest.

Hier werd alweer gekletst en gelachen.

De mobiel van een van de meisjes ging.

Haar moeder. „Ja doei, die is gek...”, zei ze. De batterij van mijn iPhone was leeg.

Bij de fietsenstalling in Arnhem huurde ik een fiets, er stond een televisie aan. Ik zag rouwauto’s.

„Zat je te kijken?”, vroeg ik.

„Ja, even”, zei hij. „Ik ben stil geweest.”

Hij voegde eraan toe: „Ik was wel alleen, dat scheelt.”

Op de huurfiets van Arnhem naar Velp. Bij de flats tegenover Bronbeek hingen bij alle woningen de vlaggen halfstok, een indrukwekkend gezicht. In Velp hingen veel posters voor het dorpsfeest – De Velleper Donderdagen – de volgende dag. Er was voor het eerst ook een mascotte: ‘Velpie’.

Mijn moeder had de vlag halfstok hangen. Ik trof haar in de keuken. De televisie stond aan. Een natuurfilm, een panter besloop een kleiner dier. De schilder was geweest, zei ze. De voordeur was gelakt en die moest nu een paar uur op een kier staan, ze werd er een beetje zenuwachtig van.

Op de werkkamer van mijn vader, die na zijn dood nog steeds zijn werkkamer was, zette ik de computer aan. Foto’s van een zwembad in Almelo waar ze schouder aan schouder rondom het water stonden, een live-verslag van een sliert rouwauto’s op weg naar Hilversum, belangstellenden op viaducten.

Het leek opeens heel bijzonder en ongeloofwaardig dat ik in een trein had gezeten waarin niets was gebeurd, behalve dan dat er een man in het gangpad was gaan staan.