Foam: nieuwe stappen in modefotografie

Een van de moderne modefotografen in Foam: de Amerikaan Charlie Engman, met een titelloze foto uit 2013. Foto Charlie Engman

Mooie jonge mensen in grote onderbroeken, stoeiend in een kaal huis – dit hebben we eerder gezien. Net als de treurige mannequin met sprietjeshaar die een kleine, stille pauze neemt van de catwalk-chaos om haar heen.

Deze foto’s van Chad Moore ( VS, 1987) en Kasia Bobula (Polen, 1983) voldoen aan de grootste clichés in de modefotografie: het quasi-nonchalant etaleren van benijdenswaardige fysieke schoonheid. Opvallende styling is leuker, doet de kleding meer recht en lijkt gek genoeg bereikbaarder, zeker als een fotograaf voor afwijkende modellen kiest. Charlie Engman (VS, 1987) plaatst zijn eigen moeder – rood recht haar, chagrijnige tronie – in designkleding voor kleurige kartonnen studiodecors.

Bij Erik Madigan Heck (VS, 1983) vergroeien kostuums, kapsels en achtergrond middels digitale bewerking tot een soort geometrisch behang waaruit alleen de bleke huid van de mannequins oplicht. Het zwart-witportret dat de Nederlander Philippe Vogelenzang (1983) maakte van actrice Gabourey Sidibe, als rijzige operazangeres in een plisséjurk van Issey Miyake, is zo mooi dat het de grenzen van het genre ver overstijgt. Elk detail draagt bij aan een karakterstudie.

Alle vijf de fotografen werden door curator Magdalene Keaney geselecteerd voor Fashion Photography Next, een prachtig uitgegeven boek waarin ze een nieuwe lichting onder bredere aandacht wil brengen. Voor fotomuseum Foam in Amsterdam stelde Keaney rond deze 35 namen een bescheiden tentoonstelling samen, met werk dat grotendeels met het boek overlapt. Een generatie is het niet echt; er zitten twintigers en veertigers bij, en ook stilistisch zijn de onderlinge verschillen groot.

Er kleven nogal wat stigma’s aan de term modefotografie, blijkt uit Keaneys interessante inleiding. Het voorvoegsel ‘mode’ duidt op trendy, helemaal van nu, en dus vergankelijk, gekoppeld aan de waan van de dag. Binnen het kunstfotografisch establishment geldt het als een oppervlakkig subgenre. Keaney vindt dit grote onzin. Doordat het zo snel is, kan modefotografie voorloper en zelfs aanjager zijn op technisch en sociaal-maatschappelijk gebied – denk aan Calvin Kleins unisex-parfumreclames. Bovendien is het een echt vak: de fotografen uit Fashion Photography Next zijn veelal academisch opgeleid en breed kunsthistorisch onderlegd. Ze klonteren vanouds samen in de drie modecentra (Londen, New York, Parijs) en werken met ouderwetse, langzame camera’s.

Grote kledingconcerns en prestigieuze papieren (!) tijdschriften – Vogue, W, The gentlewoman – zijn nog altijd de machtigste en/of meest begeerde opdrachtgevers, hoewel de creatieve mogelijkheden hier ondergeschikt zijn aan de wensen en het budget van de klant.

Nieuwe ontwikkelingen zijn er ook. De macht van bedrijven, bladen en de kunstscene is niet meer allesbepalend; dankzij internet en ‘independent’ tijdschriften is een bloeiende undergroundcultuur ontstaan. Wie nu een boek wil maken, neemt een onafhankelijke uitgever in de arm en verkoopt het online. ‘Zines’, blogs en social media geven een fotograaf de kans om in alle vrijheid en zo snel als hij (of zij; het aantal vrouwen áchter de camera neemt voor het eerst in de honderdjarige geschiedenis van het vak snel toe) wil een publiek voor zijn werk te vinden.