En dan de tijd daarna

Mensen rouwen om dierbaren zoals zij hun leven leiden:elk op een andere manier. Is er iets te zeggen over de komende weken en maanden van de nabestaanden van vlucht MH17?

foto getty images

En hoe nu verder – na een Dag van Nationale Rouw? The day after...? Dan blijft de persoonlijke rouw: het verdriet van duizenden directe nabestaanden van de 298 slachtoffers van vlucht MH17.

Valt er in het algemeen iets te zeggen over rouwverwerking? Zijn daarin patronen te ontdekken, zijn er leefregels te geven? Niet echt.

Mensen rouwen om dierbare doden zoals zij elk op hun eigen wijze het dagelijks leven leiden – in een (soms wankel) evenwicht tussen introvert en extrovert, energiek en passief, rationeel en spiritueel. Leven, óverleven na de dood van een partner, ouder, kind, maakt alles extreem. Somberheid wordt verlammend verdriet. Alledaagse taferelen op straat, gesprekjes in de supermarkt, observaties in de trein – rouwende mensen kunnen het ervaren als gekmakende banaliteit, stompzinnig geleuter, beledigende oppervlakkigheid.

Tweeënvijftig mensen, week na week, heb ik in het afgelopen jaar voor NRC Weekend gesproken. ‘Het Nabestaan’, zo luidt de titel van deze reeks interviews. Allen vertellen hoe het voelt om het leven weer op te pakken na een zwaar verlies.

Deze naam duikt altijd op in boeken en verhalen over rouwverwerking: van Elisabeth Kübler-Ross, een Zwitsers-Amerikaanse psychiater. Van haar is een onderverdeling in vijf gemoedstoestanden die horen bij het ‘rouwproces’. Het zijn: ontkenning, woede, strijd, depressie en aanvaarding.

Samen kunnen de stadia van Kübler-Ross een beeld opleveren van mensen in de rouw die eerst zó verdoofd zijn dat zij de dood van hun naasten ontkennen (‘ik leef in een nachtmerrie, en als ik straks wakker word, blijkt het allemaal niet gebeurd te zijn’ ). Hierop volgt intense kwaadheid op alles en iedereen (‘waarom moest hij ook zo nodig…’; ‘ik sta totaal alleen in mijn verdriet….’). En dan: koortsachtige prestatiedrang (bijvoorbeeld: zes keer op je fiets een berg beklimmen, als hommage aan de overledene, als ‘fundraising’ voor kankeronderzoek). Himmelhoch jauchzend – na het stellen van een dergelijke daad tegen de dood zou diepe depressie volgen, en, tot slot, aanvaarding, berusting, een nieuw evenwicht.

De werkelijkheid is vele malen ingewikkelder en gevarieerder. Want dit ‘stappenplan’ verloopt bij niemand van één naar twee, tot en met vijf. De beschreven heftige emoties kunnen naast en door elkaar de kop op steken: binnen één en dezelfde dag, en vaak nog vele jaren later.

Eén ding staat wel vast: de manier waarop nabestaanden de eerste dagen van overlijden en uitvaart beleven, kan later een louterende bijdrage leveren aan de rouwverwerking. „De dag van de begrafenis was prachtig. Dan word je echt gedragen door de honderden mensen om je heen”, zei de vader van een 21-jarige dochter die in Australië was omgekomen bij een auto-ongeluk. Een grootvader, na de dood van een vierjarig kleinkind, die zelf haar kistje timmerde en een lied zong op haar begrafenis: „Ik was kapot in die dagen en tegelijk voelde ik me, op de ene of andere manier, ook gelukkig. We deden dit met elkaar, voor elkaar, voor haar. Het hield ons op de been, gaf kracht.”

Voorbeelden als deze passen vooral bij mensen die houden van een sociaal leven. Wie zich als regel ingetogener gedraagt, gedijt beter bij rust en stilte om zich heen.

Hier komt de cruciale rol in beeld die mensen in de eerste, tweede en verdere cirkels rondom nabestaanden te spelen hebben. Voor hen klinkt vaak als advies: wees beschikbaar, maar dring jezelf niet op.

Wie zelf verlamd is door verdriet, heeft directe naasten nodig om praktische zaken te regelen. Daarbij hoort: passende rituelen organiseren. De tijd van het standaardrepertoire, onder leiding van dominee of pastoor, behoort voor velen tot de verleden tijd. Maar ‘niks doen’? Voelt kil en kaal. Stille tocht dan? Kan too much zijn. Wat willen de directe nabestaanden? Hadden zij vooraf hierover al eens gesproken met de overledene?

Het vergt maatwerk, tot in detail. Een vader van een 27-jarige verongelukte dochter: „Wij hebben de deur van ons huis wagenwijd opengezet. Ze lag in de eetkamer. Rondom haar kist hebben we de hele week elkaar getroost, herinneringen opgehaald, en ook gelachen om verhalen die we hoorden. Twee vriendinnen waren binnengestapt en hadden gezegd: de keuken is de rest van de week ons domein. Wij zorgen voor eten en drinken. Dat was goud waard.”

Maar dan volgen onherroepelijk die eerste ‘normale’ weken en maanden, het eerste jaar. Het ‘warme bad’ van aandacht kan flink afgekoeld zijn. Veel nabestaanden hebben bittere herinneringen aan die tijd: „We leven in een bagatelliseringscultuur”, vertelt een pastor op grond van lange praktijkervaring. „In hun reacties proberen mensen elkaars verdriet vaak klein te houden. ‘Nou, sterkte hè.’ Je mag niet zwak zijn.”

Aanvankelijk hebben mensen nog wel oor voor ‘zoveel woorden van verdriet’ (naar een dichtregel van Vasalis). Maar dan volgt, vaak al snel, een houding van: „Oh nee, niet wéér…” Een 56-jarige vrouw, rouwend om de dood van een oudere broer: „Mensen kunnen, zogenaamd goed bedoeld, de meest verschrikkelijke dingen zeggen. Bijvoorbeeld: ‘En, hoe gaat het nu? Ben je er al overheen?’ Alsof je een kast bent waarvan je het laatje met verdriet kunt dicht schuiven.”

Omgang met mensen in de rouw vergt inlevingsvermogen. En dus: luisteren, vragen stellen. Een 52-jarige vrouw, sinds bijna vijftien jaar weduwe: „Al die stompzinnige adviezen die je ongevraagd krijgt. Van mensen die niet eens de tijd en de moeite nemen om naar je te luisteren en wel meteen roepen: ‘Zeg, weet je wat jij eens moet doen?’”

Nabestaanden zeggen vaak dat hun leven in puin ligt, dat ze eerst verdoofd tussen de brokstukken zitten en daarna – met vallen en opstaan – proberen een heel nieuw, totaal ander leven op te bouwen. Een fase van diepe depressie, met doodswens, kan hiervan deel uitmaken. „Ik schaamde me dat ik leefde en zij niet”, zegt een 59-jarige vader die terugdenkt aan de eerste periode na de zelfdoding van zijn toen 21-jarige dochter. „Ik wilde ook helemaal niet leven, omdat ik dacht dat de dood mij weer bij haar zou brengen.”

Maar, zoals de pastor vaak heeft waargenomen: „Bij de meeste mensen ontstaat een nieuwe balans naarmate de tijd vordert: meer momenten van welbevinden, minder van gemis en verdriet, hoewel dit laatste nooit helemaal weg zal zijn.”

Een vader na de dood van zijn op vierjarige leeftijd verdronken zoontje: „Had je me tien jaar geleden gevraagd: kun je weer gelukkig worden?, dan had ik gezegd: geen idee, echt geen idee. Ik kan niet vooruitkijken nu, ik ben bezig met overleven en zorgen voor m’n gezin. Een toekomstbeeld heb ik even niet. Inmiddels kan ik zeggen: ja, je kunt weer gelukkig worden, niet door te ontkennen wat er is gebeurd, juist niet, maar door kleuren toe te voegen rondom het gat dat in je leven is geslagen.”

Een vader, die nu alleen zijn zoontje opvoedt, na het overlijden van zijn vrouw: „Eigenlijk ben ik nu gelukkiger dan ik een paar jaar geleden was. Mijn bestaan heeft door haar overlijden meer diepgang gekregen. Ik heb mijn eigen emoties beter leren kennen. En ondanks de praktische beperkingen van alleenstaand ouderschap voel ik me vrijer. Ik relativeer veel meer en geniet mateloos. Ik heb geleerd waar het echt om draait in het leven: goed voor je naasten zorgen, geluk delen en waar mogelijk jezelf ontwikkelen. In die volgorde.”

Het zijn verhalen, ervaringen zonder algemene geldigheid. Misschien geven ze herkenning, bieden ze troost. Dát is misschien wat nabestaanden van de MH17-slachtoffers op dit moment het hardst nodig hebben – dat ze elk op hun eigen manier kunnen en mogen rouwen en zichzelf daarin niet alleen weten.