De markt is niet de baas!

Leg je niet neer bij ongelijke economische verhoudingen, schrijven Nik de Boer en Tamar de Waal. Wíj beslissen over de rol van het kapitalisme in onze samenleving. En het is tijd voor verbeteringen.

De conclusie van de inmiddels wereldberoemde econoom Thomas Piketty in zijn bestseller Capital in the Twenty-first Century bezong zanger Leonard Cohen al in 1988. ‘Everybody knows’, zong hij, ‘The fight was fixed. The poor stay poor. The rich stay rich. That’s how it goes. Everybody knows.’ De songtekst van Cohen is op twee manieren pijnlijk treffend.

Ten eerste, omdat de tekst toont dat het resultaat van het onderzoek van Piketty grotendeels oude wijn in nieuwe zakken is. Iedereen die enigszins nuchter om zich heen keek, kon al decennia lang opmerken dat de welvaart in onze westerse maatschappijen onwaarschijnlijk ongelijk verdeeld is. Het stond in de kranten en op internet. In stapels rapporten van bezorgde ngo’s. In de artikelen en boeken van wetenschappers als Paul Krugman, Anthony Atkinson en Joseph Stiglitz. En, uiteraard, ook de demonstranten van de mondiale protestbeweging Occupy streden expliciet tegen de onwrikbare kloof in welvaart tussen arm en rijk, toen zij scandeerden: We are the 99 procent.

Ten tweede spreekt uit de tekst een verontrustende gelatenheid. Mismoedig lijkt Cohen te accepteren dat de ongelijkheid in de samenleving er is, omdat ‘het nu eenmaal zo gaat’. Het is dan ook hoog tijd dat dit stukje tekst eens gedateerd raakt. De harde werkelijkheid dat de inkomens- en vermogensongelijkheden in ’s werelds meest ontwikkelde kapitalistische economieën weer hetzelfde zijn als aan het einde van de negentiende eeuw, kan niet zonder gevolgen blijven. Daarom is het van belang dat Capital niet bloedeloos de geschiedenisboeken ingaat als het middelpunt van een opmerkelijke hype, maar dat er politiek ook iets verandert. Nu de eerste stofwolken van de mediastorm rondom de publicatie van Piketty zijn gaan liggen, moeten we niet opnieuw zwichten voor defaitisme. Het is tijd voor verbeteringen, want naast het geven van een economische analyse snijdt het boek Capital vooral een rechtvaardigheidsvraagstuk aan. En deze discussie gaat ons allen aan. It’s the democracy, stupid!

Hoeveel ongelijkheid willen we?

Voor de duidelijkheid, tot op zekere hoogte blijft het altijd een onderwerp van ideologisch debat hoeveel ongelijkheid in de samenleving aanvaardbaar is. Het is dan ook niet verrassend dat een sociaal-democraat als Diederik Samsom pleit voor een hogere vermogensbelasting terwijl een liberaal als Halbe Zijlstra die juist afwijst. Maar de ongelijkheid die optreedt in ontwikkelde kapitalistische economieën, als systematisch omschreven in Capital, overstijgt deze ideologische tegenstellingen in de politiek en zaagt aan de fundamentele grondbeginselen van de democratie als politiek regime. Deze ongelijkheid maakt de verschillen in welvaart tussen burgers namelijk zo groot, dat de voorwaarden om de ideologische verschillen in de samenleving überhaupt democratisch te adresseren beschadigd raken.

Ofwel, in een democratie hebben mensen gelijke rechten en deze rechten mogen geen fictie blijven; burgers die dezelfde rechten hebben moeten ook dezelfde kracht hebben deze rechten uit te voeren. En om deze reden staat de representatieve democratie onder druk, als een handjevol steenrijke families en multinationals door hun enorme economische welvaart ook buitensporige politieke invloed heeft, macht krijgt over de pers en informatie, of jongere generaties kan blokkeren in het ontwikkelen en vergaren van eigen fortuin.

Nu blijkt dat de vruchten van de geglobaliseerde economie niet automatisch ten goede komen aan iedereen, oftewel het vaak veronderstelde ‘trickle down effect’ van het kapitalisme niet bestaat.

Om deze reden moeten we nadenken over de omstandigheden waaronder vrije handel de democratie wél dient. Het kapitalisme moet, zogezegd, het trekpaard van de democratische gemeenschap zijn – en niet, zoals nu dreigt te gebeuren, de stuurman van de politiek worden.

Het kapitalisme kent immers als economisch model geen morele regels voor de verdeling van welvaart en rijkdom, of voor welke economische ongelijkheden nuttig kunnen zijn voor het algemeen belang. Die regels moeten we zelf, als democraten, in de blauwdruk van de economie inbouwen.

Te lang is er vooral economisch gedacht, in plaats van democratisch. Het is bijvoorbeeld volstrekt de omgekeerde wereld om klakkeloos te accepteren dat de markt ons geen gratis onderwijs en gezondheidzorg meer toestaat. Als wij vinden dat in een democratie iedere burger recht heeft op gelijkwaardige scholing en zorg, dan moeten wij de baten van onze gemeenschappelijke markt zo kunnen indelen dat dit mogelijk is. Daarom moeten we een systeem waarbij de economische winst vooral terechtkomt bij een heel klein deel van de bevolking kunnen terugdraaien. Dat is geen effectieve verdeling en helpt de samenleving onvoldoende vooruit. De markt mag de democratie niet controleren. De democratie moet de markt controleren!

Europese samenwerking moet

Dus wat nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er een krachtig politiek bestuur is, waarmee we democratisch kunnen beslissen over wat de rol van de markt is in onze maatschappij? Dat is nog niet zo makkelijk. Maar we ontkomen niet aan het versterken en democratiseren van de (fiscale) Europese instituties. Want zonder samenwerking tussen Europese landen is een kleine natiestaat als Nederland niet opgewassen tegen de invloed van het internationale kapitaal op haar politiek en economie.

Als we de ondertussen geglobaliseerde economie willen belasten, dan is democratisch bestuur nodig dat over landsgrenzen heen reikt. Ga maar na: de topinkomens en bonussen stijgen alweer fors na de crisis, terwijl de huishoudens in de EU het nog altijd moeten stellen met dalende besteedbare inkomens. Dat kan beter. Everybody knows.