Zeeuws-Vlaanderen: 200 jaar tussenland

Lonely Planet noemt Zeeuws-Vlaanderen een onbeduidend plattelandsgebied. Auteur Rachel de Meijer wil een ander geluid over haar jeugdstreek.

Wie was de eerste in Nederland geboren ruimtevaarder? Nee, dat was niet Wubbo Ockels. Het was Lodewijk van den Berg (1932) uit Sluiskil, Zeeuws-Vlaanderen. Hij zweefde in 1985 zeven dagen in de Space Shuttle rond de aarde om gewichtloos kristallen te kweken – zijn specialiteit. Maar omdat hij al in 1961 tot Amerikaan genaturaliseerd was, telt hij niet als de eerste Nederlander die rond de aarde zweefde. Dat was Ockels uit Almelo, die zes maanden na Van den Berg onderzoek in de ruimte deed.

Typisch iets voor Zeeuws-Vlaanderen: hebben ze eigenlijk de eerste ruimtevaarder van Nederlandse bodem, maar bijna niemand die het weet. De ‘vergeten astronaut’ wordt Van den Berg wel genoemd. Aan Zeeuws-Vlaanderen zal het niet liggen: vorig jaar is in Sluiskil, in het bijzijn van Van den Berg, een borstbeeld ter ere van hem onthuld.

Zeeuws-Vlaanderen, het stukje Nederland dat aan België grenst en verder door water omspoeld wordt, snakt naar wat meer landelijke erkenning. „Zeeuws-Vlaanderen kan best wat extra aandacht gebruiken”, schrijven de burgemeesters van Terneuzen, Hulst en Sluis in het boek Tussenland, Een reis door Zeeuws-Vlaanderen van Rachel de Meijer, dat pas verscheen. Afgelopen zondag bestond Zeeuws-Vlaanderen officieel 200 jaar – maar ook dat heeft buiten het zuidelijkste deel van Zeeland zelf weinig reuring veroorzaakt.

„Wat voor mij de deur dichtdeed, is wat ik las in de reisgids Lonely Planet: ‘Zeeuws-Vlaanderen is een onbeduidend plattelandsgebied met boerderijen en een paar chemische fabrieken’”, zegt Rachel de Meijer (1964). Natuurlijk, ook zij stapte als 17-jarige op het veer Perkpolder-Kruiningen, smeet haar bril (sterkte +8) in de Westerschelde, en voer richting de Randstad om haar heil in de grote stad te zoeken. Dat is gelukt, ze is redacteur bij de NOS. „Maar ik heb een gelukkige jeugd gehad in Terneuzen en Philippine, waar mijn familie een boerderij heeft.” Ze wilde een ander geluid over de streek van haar jeugd laten horen, dat is een boek geworden in een reeks boekjes van NOS-binnenlandredacteuren over ‘hun’ streek, zoals Ferry Mingelen over Den Haag en Gerri Eickhof over Amsterdam.

Ze reisde van oost naar west door Zeeuws-Vlaanderen, van Hulst, via Terneuzen en Phillippine naar Sluis en Cadzand. De Meijer stond stil bij zowel de bijzonderheden en geschiedenis van de streek, als haar persoonlijke historie. „Ik heb het boek Tussenland genoemd omdat Zeeuws-Vlaanderen op allerlei gebied een tussenland is. Het is een buffer tussen België en Nederland. Dat het bij Nederland hoort komt door de Tachtigjarige oorlog: de Geuzen wilden een buffer tussen de Spanjaarden en de Zeven Provinciën. Door de polders van Zeeuws-Vlaanderen te bezetten beheersten ze ook de oevers van de Schelde, en de havens van Brugge en Gent”, vertelt ze.

De streek waar de Spanjaarden zaten, bij Hulst, is nog altijd katholiek. De strenge protestanten koloniseerden de streek rond Terneuzen, het Land van Axel, en het westelijke deel rond Cadzand was de plek voor liberale protestanten en katholieken. „Zo is de verdeling nog steeds: het is een religieus tussenland tussen katholiek en protestant.” Twee keer hebben de Belgen geprobeerd het strategisch belangrijke Zeeuws-Vlaanderen te annexeren: in 1830, na de Belgische onafhankelijkheid en na de Eerste Wereldoorlog. Tevergeefs.

Ook al moeten de Belgen al eeuwen weinig hebben van de Nederlandse drang tot inpolderen van de Westerschelde, ze houden van Zeeuws-Vlaanderen om culinaire redenen. Ze komen graag mosselen eten in Philippinne – een dorp genoemd naar de Spaanse koning Philips de Schone die er in 1505 een vesting stichtte. „Zeeuws-Vlaanderen heeft vanwege die merkwaardige tussenlandpositie zijn eigen schoonheid”, vindt De Meijer, „en de Zeeuws-Vlamingen voelen zich geen Zeeuwen of Vlamingen, maar Nederlanders.”