Worden de daders berecht?

Terwijl premier Rutte nog steeds zegt dat de schuldvraag over de vliegtuigramp niet aan de orde is, stoeit het Nederlandse Openbaar Ministerie al heel nadrukkelijk met die vraag. Minder dan twee dagen na de ramp vergaderde officier van justitie Thijs Berger al in Kiev met de autoriteiten in Oekraïne. Officieel heet het dat Nederland een oriënterend onderzoek heeft geopend naar het neerstorten van vlucht MH17. Maar in feite is het strafrechtelijk onderzoek al begonnen. De verdenkingen die het OM heeft geformuleerd zijn: moord, oorlogsmisdaden en het opzettelijk laten neerstorten van een vliegtuig.

In Nederland is sinds 2003 de Wet internationale misdrijven van kracht die het OM in staat stelt iedereen, ook buiten Nederland, te vervolgen die zich schuldig maakt aan een oorlogsmisdrijf tegen een Nederlander.

Voor het OM gaat het om een strafzaak die zijn gelijke niet kent in de Nederlandse strafrechtspleging. Het is de grootste klus ooit die dan moet worden geklaard door een van de kleinste afdelingen van het OM. Officier van justitie Berger werkt op de afdeling internationale misdrijven van het landelijk parket. Daar werken twee magistraten. De vrouw die jarenlang leiding gaf aan de afdeling, Hester van Bruggen, vertrekt volgende maand voor een nieuwe baan naar het buitenland.

Toch wil het OM deze zaak zelf doen. Den Haag is immers de juridische hoofdstad van de wereld. De laatste jaren behandelde de afdeling internationale misdrijven vooral zaken tegen asielzoekers.

Nederland zou verdachten bij verstek kunnen berechten. Een andere optie is dat Oekraïne zorgt dat verdachten naar Nederland komen. Oekraïne levert geen eigen onderdanen uit. Dat ligt anders bij Russen die in het door separatisten beheerste gebied opereren.

Een andere optie is dat Oekraïne het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag vraagt om vervolging van verdachten.

Ook Maleisië heeft rechtsmacht in deze. Een vliegtuig wordt juridisch aangemerkt als territorium van het land waartoe de luchtvaartmaatschappij behoort. Berechting door landen heeft volgens het statuut van het ICC de voorkeur boven berechting door het strafhof. Pas als landen niet in staat zijn of bereid zijn oorlogsmisdrijven te berechten, ligt er een taak voor het ICC.

Mocht het tot berechting komen dan zullen verdachten zich er waarschijnlijk op beroepen dat het neerschieten een vergissing was. Voor een Nederlandse strafrechter zal dat verweer weinig kans maken. De rechter zal voorwaardelijke opzet bewezen achten. De verdachte heeft met het afschieten van een raket bewust het risico genomen dat hij wat anders raakte dan hij van plan was.